Over mij

Mijn foto
Ik schrijf en geef lezingen over gedragsproblemen, gedrags- en ontwikkelingsstoornissen vanuit meer dan 35 jaar onderwijservaring, een Master SEN studie en veel, véél leeswerk. Ik benader alles vanuit de vraag "Maar wat kan ik er nu mee in de klas?" Beknopte theorie en veel praktische handreikingen die je morgen al kunt toepassen in je klas. Zie ook www.gedragsproblemenindeklas.nl

donderdag 24 juli 2014

Knettergek word ik van Bartje! Hij moet van school!

Kent u Bartje? Hij komt uit het verhaal “Thuis is hij heel anders” van Arinka Linders. (http://www.tourettenet.nl/columns-arinka/ander-kind) 

En over Bartje wil de leerkracht wel even wat zeggen: “Bartje moet echt van school hoor. Gek word ik ervan.”

Stel je voor: Ouderavond. De ouders hebben de verwachting dat alles in orde is. Ze weten wel dat hun kind een beetje anders is, maar lief dat hij is! Dan begint het gesprek en valt hun mond open. “Tja, het gaat eerlijk gezegd niet zo goed met Bartje in de klas. Misschien wordt het tijd om toch eens over speciaal onderwijs na te denken.”
Zo zou de leerkracht de ouders kunnen overvallen tijdens de tien minuten gesprekken. Vervolgens geeft hij een opsomming van wat Bartje allemaal verkeerd doet. “Hij luistert niet, hij kan niet stilzitten, hij maakt rare geluiden, is brutaal en hangt veel te vaak de lolbroek uit. Hij is een grote stoorzender in de klas en iedereen wordt knettergek van hem. Dus Bartje moet wijken voor de rest, want dit is een onhoudbare situatie en dat begrijpt u zeker wel?”
Er is een vrij grote kans dat de ouders dit niet begrijpen. En eigenlijk begrijp ik het ook niet. Want een aantal van de gedragingen van Bartje zijn niet heel verschrikkelijk en een aantal gedragingen zijn misschien aan te passen of te verhelpen, daar kom ik zo op terug. Waar het in de eerste plaats over gaat, is dat als er in de beleving van de leerkracht zoveel aan de hand is, er contact met de ouders had moeten worden gezocht. Misschien herkennen ze een deel van het verhaal en hebben zij al een stukje van de oplossing gevonden. Bovendien blijkt vaak dat bij gedrag dat moedwillig is, frequent contact met de ouders helpt dit gedrag te reduceren. Overigens is de grote vraag welk gedrag van Bartje moedwillig is.
Bartje blijkt Tourette te hebben. Nu is dat geen vrijbrief voor elke gedraging, maar welke van de gedragingen komen eigenlijk door zijn Tourette? Niet luisteren is geen kenmerk van Tourette. Het kan dus zijn dat Bartje gewoon geen zin heeft om op te letten. Het kan ook zijn dat Bartje aandachtsproblemen heeft. Dat komt wel voor in combinatie met Tourette. Het is dan goed om Bartje aan te spreken met zijn naam tijdens de instructie en om een teken met hem af te spreken om hem weer bij de les “te slepen.” Het niet kunnen stilzitten kun je misschien oplossen door Bart loopjes te gunnen of om gewoon te accepteren dat hij wat meer beweegt dan anderen. Je kunt best afspreken dat hij daarbij anderen niet mag aanspreken. De rare geluiden zouden een symptoom van zijn stoornis kunnen zijn. Daar kun je met de klas over praten. Als Bart daar niets aan kan doen, is het gewoon het best die geluiden te negeren. Het goede nieuws is: je went eraan. Mensen die langs een drukke spoorlijn wonen, horen op den duur ook de treinen niet meer.
Bartje is brutaal. Geen symptoom van Tourette, maar van een verstoorde relatie met de leerkracht. Als leerkracht kun je dan nagaan of je teveel moppert op het kind of dat je een verkeerde opmerking hebt gemaakt. Je kunt dat in een gesprek met het kind ook gewoon vragen. “Ik merk dat je vaak geïrriteerd en boos doet als ik wat zeg. Doe ik iets verkeerd volgens jou?” Grote kans dat je aanwijzingen krijgt om het probleem op te lossen samen.
Het clownesk gedrag kan voortkomen uit onzekerheid. Misschien is Bartje bang dat hij gepest gaat worden met zijn Tourette en probeert hij zo leuk gevonden te worden. Als Bartje merkt dat de leerkracht en de groep hem accepteren zoals hij is, verdwijnt dat gedrag misschien. Het kan ook zijn dat wat er in de klas gebeurt of niet gebeurt hem frustreert en dat hij zo een uitlaatklep heeft gevonden. Bekijk of de eisen die je stelt aan hem wel haalbaar zijn.
Moet Bartje dus van school? In ieder geval niet nu. Dat de leerkracht “gek wordt van Bartje” is een leerkrachtprobleem. En dus niet van Bartje. Gelukkig staan er voor de leerkracht wat ideeën in bovenstaand verhaal. Er zijn nog best een aantal zaken te proberen.


woensdag 2 juli 2014

Nog even en ze zitten allemaal op een skippybal!


Deze verzuchting kwam vaneen collega uit het VO, nadat hij het een en ander had gehoord over omgaan met verschillen en de achtergronden van diezelfde verschillen, zoals je die soms bemerkt bij kinderen met ADHD, ASS of ODD.
Ik snapte zijn verzuchting wel, want eigenlijk zijn leerkrachten en docenten daar niet heel goed voor opgeleid. Er valt nog wat kennis te brengen over stoornissen en omgaan met “moeilijk gedrag.” Een van de problemen waar docenten tegen aanlopen is het omgaan met die verschillen. Volgens sommigen van hen kun je niet verkopen aan de andere kinderen dat niet iedereen gelijk behandeld wordt. Ik durf dat te weerleggen. In mijn eigen groep ( nu groep 7) kun je kinderen via het sturen van het groepsproces al zodanig sturen dat zij zelfs verantwoordelijkheid willen nemen voor het kind op de skippybal. Net zoals ze elkaar helpen met rekenen, zo kunnen ze elkaar ook helpen bij zaken als snel ontploffen, alles vergeten of niet stil kunnen zitten. Het niet gelijk behandelen doe je op het gebied van leerstof allang en al de hele dag, dus op het gebied van gedrag kan dat ook. Welk etiket er aan dat gedrag hangt, doet daarbij niet terzake. Aan kinderen kun je het dus uitleggen. Het zijn vooral de docenten zelf die verzuchten dat dit niet kan. Het idee bestaat naar mijn mening vooral in hun hoofd. Het welgemeende advies is dan ook probeer het eens uit te leggen in je klas. Je zou nog versteld kunnen staan van het positieve effect.
Een ander probleem is het gebrek aan tijd dat er lijkt te zijn voor “al die zorgleerlingen.” Een docent rekende het mij voor: ik heb dertig leerlingen in de klas, dus dat is twee minuten per leerling. Een kind met ADHD vraagt al gauw 6 minuten aandacht, dus dat gaat ten koste van twee andere leerlingen. Deze economie docent had misschien wel gelijk als je redeneert als een econoom en weet dat arbeidstijd maar een keer te gebruiken is, maar als je in die redenatie meegaat, is elke keer als je een individuele leerling antwoord geeft de rest de dupe. Dat gaat iets te ver lijkt me. Ik geloof dat je met duidelijke uitgesproken verwachtingen al heel veel extra aandacht kunt voorkomen. Een andere collega zei het treffend. “Ik weet dat zij (meisje met ADD) niet zelf kan beginnen. Ze mist daarvoor het overzicht. De stof hoef ik echt niet extra uit te leggen aan haar, die snapt ze prima. Ik ga dus naast haar zitten als ik de klas aan het werk heb gezet en help haar op weg door te benoemen wat ze als eerste moet doen. Als ik ze kort op weg help, gaat het zonder problemen.”
En daar heeft deze docent precies het punt waar het om draait. Het aansturen van heel veel “zorgleerlingen” (daar moeten we misschien ook eens een positievere naam voor gaan gebruiken), is niet zo ingewikkeld of tijdrovend. Vaak zijn er hele kleine dingen voor nodig, zoals die docent hier treffend verwoordde.
Maar nog even terug naar de eerste collega. Die vervolgde zijn zin over de skippybal met: “de ene moet op een skippybal, de andere moet veel water drinken, de volgende moet een geluidsdemper op zijn oren.” Ik vroeg mij in alle ernst af waarom de genoemde voorbeelden zo erg zijn. Als er iemand op een skippybal zit, heeft niemand daar last van. Laat hem zo nu en dan even door de klas hoppen voor hij zelf op het idee komt. Succes verzekerd! En iemand die water moet drinken? Wie heeft daar nu last van. Gehoorbeschermer? Spreek af dat je de leerling even aantikt als hij moet luisteren en meedoen met de klas. Probleem opgelost.
Maar er zijn toch ook hele erge kinderen? Klopt. Nou ja, bijna. Er zijn kinderen die een klas op stelten kunnen zetten, waar niet mee te praten valt, of die zelf overprikkeld raken van die 29 anderen. Die kinderen zijn er. Zijn het daarom “erge kinderen?” Dat vind ik niet. Zijn ze lastig? Heeft je groep er last van? Soms wel. Zitten daar dan geen grenzen aan? Jawel, dat is namelijk de grens. Het kan en mag volgens mij nooit zo zijn dat een kind zodanig overlast veroorzaakt voor de hele groep, dat die groep er op wat voor manier dan ook, onder lijdt. Dan zit het kind niet op zijn plek. Geen kind wil namelijk degene zijn waar iedereen last van heeft en boos op wordt. Als er een kind zodanig verstorend werkt op je groep moet je heel snel gaan kijken wat er nu precies verkeerd gaat. Begin bij je eigen leerkrachtgedrag, helpt het als jij anders reageert, anders structureert, anders uitlegt of op weg helpt? Kijk dan naar het kind. Praat met het kind; wat voelt dat kind, wat denkt dat kind en wat zou het graag willen. Hoe zou dat volgens dat kind kunnen lukken? Zit daar een deel van de oplossing?
Vaak zit de oplossing al in deze zaken. Zo niet zoek verder en doe dat samen met kind, ouders en collega’s.
En heel soms kom je inderdaad tot de conclusie dat het zo niet verder kan en je als leerkracht, klas of school zo niet verder kunt. Zorgplicht of niet. Dat is geen schande als je naar eer en geweten en met voldoende kennis geprobeerd hebt om het wel te laten lukken. Maar niet omdat je er niet mee kunt omgaan als dadelijk iedereen op een skippybal zit.