Door Anton Horeweg
‘Ga ik niet doen.’ Onwrikbaar stond Joep in de deurpost.
Zojuist had hij de deur open geduwd, waarbij de leerkracht, die hem net achter zich dicht deed, de knop in haar rug kreeg. Even daarvoor was de situatie met Joep geëscaleerd. Eerst in
de klas, waar hij onder zijn tafel ging zitten en een paar keer k#tjuf riep.
Hij moest namelijk daarvoor even iets doen en dat wilde hij niet. Dat is de
kern van het probleem van Joep. ‘Hij wil zijn zin’ zou je dit in de volksmond
noemen. En die zin kreeg hij vaak, omdat hij onverzettelijk en moeizaam te
verplaatsen is. De vraag is niet alleen hoe stoppen we dit gedrag, maar ook
daarbij ‘met inachtneming van wat dit kind allemaal meemaakt.’ Daarnaast moet
je in de gaten houden wat het lange termijndoel wordt, of de klas er last van
heeft en niet te vergeten de leerkracht. Dat Joep er last van heeft, mag
duidelijk zijn.
Wat heeft Joep dan nodig? Ik denk controle, maar ook
grenzen. Dit gedrag kan niet in je school. Ik begrijp waar het vandaan komt,
maar je kunt als leerkracht niet al de tijd met een kind bezig zijn en bij Joep
leek het daar al wel aardig op.
Bekijk of de voorwaarden voor ervaren veiligheid voor Joep
voldaan zijn. Is de leerkracht glashelder met gedragsverwachtingen, is het
dagplan helder, wat er straks na deze les komt ook, handelt de leerkracht
consistent in het begrenzen, ook op slechte dagen, is de leerkracht vriendelijk
maar beslist ( ook als ze net voor k## juf is uitgemaakt,’ enz.
Misschien kan ze op dit gedrag reageren met standaardzinnen.
‘als je zo praat luister ik niet, als je vriendelijk praat luister ik.’ ‘wij
praten hier aardig tegen elkaar.’ Of wat er dan ook maar bij jou past. De
leerkracht reageert op verbaal geweld dus altijd hetzelfde. Als Joep fysiek
wordt en bijvoorbeeld spullen gooit, hoort daar eenzelfde vaste zin bij. ‘Wij
gooien niet met spullen. Wij houden spullen heel.’ of We houden iedereen hier
veilig. Gooien met spullen is onveilig. Stop er mee.’ Wat je zegt moet
leeftijdsadequaat zijn en passen bij de ontwikkelingsleeftijd van het kind. Als
het gegooi gevaarlijk is, neem je de klas mee naar de gang, terwijl je Joep
tegenhoudt. Als het kleine dingen zijn, vraag de klas dan niet te reageren om
zo Joep en jou te helpen.
Als Joep iets moet (stoppen met schreeuwen, stoppen met
gooien of gewoon met iets wat onschuldig is maar nu niet mag), moet je helder
zeggen wat je wil dat hij doet. Als hij niet stopt/kan stoppen, kun je hem twee
keuzes geven (zo ervaart hij controle). Die herhaal je telkens. Niet meer dan
dat. ‘Ik wil dat je rustig gaat zitten. Als dat niet lukt moet je even naar de
time-in om rustig te worden (op een rustig moment al afgesproken, alleen in the
heat of the moment doet hij dat niet). Blijf dat een paar keer rustig herhalen
op wat hij zegt. Niets meer, niets minder. Maak eventueel een gebaar. ‘Je kunt
x of je kunt Y’ terwijl je jouw ene hand naar links doet en je andere naar
rechts. Als je dat een paar keer hebt geantwoord stop je. Je loopt weg bij Joep
en zegt niets meer. Als Joep doorgaat moet er een vooraf vastgestelde procedure
in gang worden gezet. Bijvoorbeeld Joep wordt gehaald door directie/IB. Het kan
dat Joep ook niet meegaat met hen. Dan geven zij Joep de keuze: ‘Óf nu mee of
we bellen je moeder dat ze je op moet halen.’ Niet meer niet minder. De keuze
wordt een paar keer rustig herhaald. Er wordt verder niet met Joep gepraat op
dat moment.
Belemmerende factoren: de klas bemoeit zich ermee: je hebt
wat af te speken met je klas.
Joep gooit stoelen: Jij zult de stoel moeten afpakken/voor
andere kinderen gaan staan.
Joep gaat ook niet mee met de directie: ouders komen om Joep
uit de klas te halen. Ideaal? Absoluut niet.
Als dit een route is die je regelmatig langsgaat met Joep en
er verandert niets, moet je als school bekijken of Joep hier op zijn plaats is.
Dat is altijd kiezen uit twee kwaden. Er zitten echter grenzen wat een
leerkracht in zijn eentje kan in een klas. Dit mag nooit een beslissing van een
individuele leerkracht zijn, er moet vanaf het allereerste begin contact met
ouders zijn. Ouders moeten altijd op school komen bij het hier beschreven
gedrag. Ook voor de drieëntachtigste keer. Opvoeden doe je samen.
Joep voelt ruimte. Als hij iets weigert, krijgt hij
aandacht, wordt hij gezien. Als hij weigert heeft hij controle (niemand mag hem
immers weghalen) en dat is veilig. Volwassenen trappen in de valkuil van ‘nog
eens uitleggen’ of in discussie verzeild raken. ‘Ik ga toch niet weg.’ “Jawel
jij moet weg nu. Je moeder komt. ‘ ‘Die komt niet.’ Echt wel daar is ze al. ’Ik
ga niet met haar mee, enz. Joep heeft de touwtjes in handen. Dat doet hij
bewust, maar komt voort uit zijn onbewuste overlevingsstrategie. Controle willen
en gezien worden.
De kunst en het lastige is: geen ruimte geven, maar wel
compassie voor zijn worsteling hebben. Dus begrenzen, uitleggen en weer en
weer. Totdat je het idee hebt ‘Wij kunnen Joep hier niet helpen.’ Wat je vaak
ziet: het gaat langzaam beter, met momenten van terugval en een leerkracht die
de hele tijd op eieren moet lopen. Dat is doodvermoeiend en niet fijn (dat
laatste is een understatement). Als je een leerling als Joep hebt moet
er achtervang zijn. Dat gaat voor en dus ten koste van bijvoorbeeld uitleg aan
een groepje, omdat die persoon nu bij Joep moet zijn. Als school moet je daarin
keuzes maken. Wat gaat voor? Als de uitkomt maar niet is, dat de leerkracht het
maar in zijn eentje moet oplossen. Onderwijs is teamsport. Zeker met Joep.

