Over mij

Mijn foto
Ik schrijf en geef lezingen over gedragsproblemen, gedrags- en ontwikkelingsstoornissen vanuit meer dan 35 jaar onderwijservaring, een Master SEN studie en veel, véél leeswerk. Ik benader alles vanuit de vraag "Maar wat kan ik er nu mee in de klas?" Beknopte theorie en veel praktische handreikingen die je morgen al kunt toepassen in je klas. Zie ook www.gedragsproblemenindeklas.nl

zondag 19 september 2021

Wetenswaardig (Erik Meester, 2021). Een review

 Curriculum in stappen 

Erik Meester biedt een stappenplan voor curriculumontwerp. Helder en praktisch, met volop kennis uit onderzoek, vindt recensent Anton Horeweg.  

Wetenswaardig is een boek dat je stapsgewijs meeneemt in curriculumontwikkeling. De schrijver, Erik Meester, legt eerst het belang ervan uit. Samengevat is dat eigenlijk heel simpel: ‘Curriculumontwikkeling is iets wat je doet als team en dat leerlingen uiteindelijk ten goede moet komen.’ Een curriculum is een bouwplan dat alle onderdelen van de school verbindt. En dat bouwplan is nodig, want, zo betoogt Meester: ‘De leraar doet ertoe, maar moet wel iets hebben om mee te werken.’

In het boek vind je een helder stappenplan om een curriculum te ontwerpen. Als voorbeeld stap 1, praten over curriculum: je moet wel het wel eerst eens worden met elkaar over welke begrippen bij de curriculumtheorie horen. Een gedegen curriculumtheorie geeft, als het goed is, inzicht in de bedoeling of het rationale van het curriculum. Introduceer kernbegrippen in relatie tot curriculumontwikkeling en maak duidelijk wat je daar precies mee bedoelt, anders wordt het lastig praten met elkaar. Differentiatie bijvoorbeeld: dit begrip wordt door onderzoeker Carol Ann Tomlinson gedefinieerd als ‘het afstemmen van onderwijs om aan individuele behoeften tegemoet te komen’. Maar er zijn talloze manieren te bedenken om te differentiëren in de klas, zoals op inhoud, taak, ondersteuning of tempo.

Meer onderzoek in scholen Als de terminologie duidelijk is, kun je als team gaan kijken naar de (zeer) uiteenlopende manieren waarop er in de onderwijswereld over het doel en de invulling van het onderwijs wordt gedacht. Zo volgen nog zes praktisch ingevulde stappen om te komen tot een curriculum. Fijn is trouwens dat elk hoofdstuk begint met een doel en afsluit met een samenvatting van de belangrijkste punten. Heerlijk gestructureerd. Bij elke stap volgt een theoretische uiteenzetting, met een groot aantal wetenschappelijke bronnen. Hiermee illustreert Meester meteen dat de wetenschap best een groter aandeel mag krijgen in wat we doen in onze scholen. In hoofdstuk 3 gaat hij bijvoorbeeld in op myth busting. Nodig zo, betoogt hij, omdat ‘baat het niet dan schaadt het niet’ zeker niet opgaat. Meester illustreert dit soort uitspraken vaak meteen praktisch. ‘Ten eerste schaadt het in bepaalde gevallen wel degelijk en ten tweede: als het niet baat, zijn kostbare tijd en middelen verloren gegaan die ook op een meer waardevolle manier gebruikt hadden kunnen worden. Met andere woorden: tijd die besteed is aan het in kaart brengen van (niet-bestaande) leerstijlen of intelligenties en het daaraan aanpassen van je onderwijs, kun je niet meer besteden aan het voorkomen van leesproblemen.’ Deze manier van werken vind ik persoonlijk erg mooi. Gebrekkig wetenschappelijk inzicht heeft wel degelijk gevolgen in de praktijk. Dat kun je niet duidelijk genoeg maken. In datzelfde hoofdstuk gaat Meester ook in op het curriculum gebaseerd op kennis, waarbij hij ook misverstanden rond dit begrip opruimt. Daarna gaat hij in op keuzes in didactische benaderingen. Bij dat laatste heeft hij een duidelijke (met literatuur onderbouwde) mening: ‘Als het gaat om overdracht van algemene basiskennis (didactiek) is (expliciete) directe instructie een van krachtigste

gereedschappen die een leraar tot haar beschikking heeft. Met de opbouw van deze algemene kennisbasis kan het beste zo vroeg mogelijk worden begonnen, het liefst op een zo betekenisvol mogelijke wijze.’ Een mening die ik overigens deel.

Werkend curriculum In hoofdstuk 4 bespreekt hij het ‘hoe’. Curricula die ‘werken’ hebben kenmerken gemeen, zo blijkt (alweer) uit onderzoek. Ze zijn allemaal (1) algemeen vormend, (2) coherent, (3) cumulatief, (4) specifiek, (5) selectief en (6) praktisch uitvoerbaar. Als je met je team niet over deze principes in overeenstemming kunt komen, loop je een grote kans dat het daaropvolgende ontwerpproces mislukt. Er zijn meer algemene ontwerpprincipes vanuit onderwijswetenschappelijke hoek en meer contextuele ontwerpprincipes die per context en school verschillen. Erik sluit dit hoofdstuk af met een belangrijke zin: ‘Het ontwerpen van een curriculum is daarmee een inherent creatief proces waarbij je zelf heel actief zult moeten blijven nadenken en keuzes zult moeten maken.’

In hoofdstuk 5 bouwt hij hierop verder. Je kunt wel een (nieuw) curriculum willen, maar daarvoor is een stappenplan nodig. Doel is hier dan ook: uiteenzetten en onderbouwen van een algemeen stappenplan waarmee je als curriculumontwikkelaar praktisch aan de slag kunt. Meester schetst dat dit stappenplan van groot belang is en dat je moet werken met ‘het eind in gedachten’. Doe je dat niet, zo legt hij uit, dan verval je al snel in het maken van leuke lessen waarvan je geen idee hebt waartoe ze uiteindelijk bijdragen. Of zoals hij vrolijk samenvat: ‘loop je het risico dat er op school weliswaar een hoop gebeurt maar weinig wordt geleerd’. Zonde van je energie. En van de toekomst van je leerlingen.

Wat je wél kan doen, illustreert hij wederom zeer duidelijk met het achterwaarts ontwerpmodel, ontleend aan Wiggins en McTighe (2005). Hij sluit het hoofdstuk ook weer af met dit model, met daarbij een belangrijke waarschuwing: laat je als curriculumontwikkelaar niet verleiden tot het denken vanuit activiteiten, maar denk allereerst (cursivering AH) vanuit de bedoeling en de doelen van je onderwijs en hoe je kunt vaststellen of die doelen door leerlingen worden bereikt.

Slag naar de praktijk Omdat er veel (abstracte) theorie aan bod is geweest, maakt Meester die theorie praktisch met een hoofdstuk. Doel van dat hoofdstuk: ‘Een concreet voorbeeld geven van een omvangrijke curriculumontwikkeling waarmee recht gedaan wordt aan de eerder beschreven theorie in dit boek.’ Hieruit kun je afleiden dat hij zelf ook lesgeeft. Je ‘leerlingen’ willen graag echte voorbeelden. Ook daarin wordt voorzien. Hij motiveert dit als volgt: ‘Dit hoofdstuk is dus bedoeld als een soort uitgewerkt voorbeeld van een curriculumontwikkeling waarvan ik denk dat die (1) voor veel scholen in Nederland zeer de moeite waard is ter verbetering van de onderwijskwaliteit en (2) een dusdanige “omvang” heeft dat er veel aspecten van curriculumtheorie en -ontwerp mooi over het voetlicht komen. Dit is de moeite waard, omdat deze vorm van curriculumontwerp op veel scholen nog geen gemeengoed is, terwijl onderzoek positieve effecten laat zien van een dergelijke aanpak.’ Als voorbeeld gebruikt hij thematisch onderwijs in wereldoriëntatie. Het hoofdstuk geeft een mooi en aardig gedetailleerd beeld over hoe dit curriculum eruit kan zien, maar Meester waarschuwt: ‘geen vast recept dat je klakkeloos zou moeten opvolgen of uitrollen binnen jouw school’.

Hij legt ook uit waarom. Er is immers een implementatieplan nodig om zoiets omvangrijks je school binnen te krijgen. Daarover gaat het in hoofdstuk 7: hoe belangrijk (formeel én informeel) leiderschap is voor succesvolle curriculumimplementaties, welke vormen van leiderschap daaraan ondersteunend zijn en welke stappen daarbij te doorlopen zijn.

Willen veranderen en weten wat je wilt veranderen is één. Maar een verandering teweegbrengen in een sociaal systeem – zoals een schoolorganisatie – is twee. Zoiets gaat niet vanzelf. Curriculumontwikkeling kan daarom niet zonder een sterke schoolleider. Effectieve schoolleiders houden zich samen met hun team actief bezig met onderwijsverbetering, bouwen continu aan een

productief schoolklimaat, faciliteren hun team in de ontwikkeling tot professionele leergemeenschap en zetten hun (personele) middelen strategisch in.

Tips voor schoolleiders In een aantal stappen die de schoolleider kan volgen kun je op je bestemming aankomen. Die bestemming moet heel precies in kaart gebracht worden. 1. Een onderwijsinhoudelijke visie. De focus ligt bij het maken van een probleemanalyse. Meester geeft een opsomming van zaken waar je aan kunt denken.

2. Bepaal je implementatiestrategie. Het ontwikkelen van gespreid leiderschap staat centraal, met gebruik van een ‘implementatieteam’.

3. Maak samen stapsgewijs een begin. De schoolleiding moet op dit punt in dialoog met het team zorgdragen voor onderbouwde keuzes in bijvoorbeeld lesmethodes, leermaterialen en de inrichting van studiedagen. Wellicht is het zelfs nodig om te komen tot een eigen (geheel) nieuw curriculumontwerp.

4. Monitor en begeleid het proces nauwgezet. Zodra het team zich in toenemende mate professioneel en emotioneel betrokken voelt bij een geplande curriculumontwikkeling, leidt dat tot allerlei initiatieven en activiteiten. Op dit punt is het aan de schoolleiding om het overzicht te bewaren, duidelijke verwachtingen te (blijven) uitspreken en koers te houden.

5. Maak het af en zorg voor borging. Zoals eerder aangegeven zit er een (groot) verschil tussen de adoptie en integratie van nieuwe praktijken. De schoolleiding moet iedereen meekrijgen en erbij houden. Dat vergt sturing.

Meester legt ook nog wat uit over de voorwaarden die nodig zijn voor succesvolle curriculumontwikkeling. Daarover gaat hoofdstuk 8: stilstaan bij de condities waaronder curriculumontwikkelingen de meeste kans van slagen hebben en de manier waarop je daar invloed op kunt uitoefenen. Een plantje groeit tenslotte beter in aarde dan op steen. Meester legt uit dat we niet te veel moeten vertrouwen op de bekende ‘olievlek’ die zich vanzelf zal verspreiden. ‘Onderzoek naar de implementatie van innovaties laat zien dat het creëren van een zeker urgentiegevoel – bijvoorbeeld door de confrontatie met data – en het stimuleren van actie hard nodig is.’ Veranderingen leiden is dus hard werken.

Het helpt bovendien als je een leidende coalitie vormt met verandergezinde collega’s of veranderagenten die jouw zaak ondersteunen. Zo’n collectief leerproces gaat dus vrijwel altijd gepaard met soms vrij vurige discussies. Daarvoor moet je niet weglopen, dit is inherent aan het proces.

Meester bepleit ten slotte dat de schoolleider/curriculumontwikkelaar, wellicht meer dan voorheen, zal moeten openstaan voor adviezen vanuit de werkvloer. Dat hoort immers bij een professionele leergemeenschap. Hij sluit het boek af met een waarschuwing: verbetering van de onderwijskwaliteit zal zich uiteindelijk moeten uitbetalen in betere leerresultaten voor alle leerlingen. Dat is waar we het allemaal voor doen.

Wetenswaardig is een pittig boek. Ik denk echter dat zéker de universitaire pabo-studenten hiermee goed aan de slag kunnen, samen met hun onderwijskundig leiders die schooldirecteuren behoren te zijn. Dat wil allerminst zeggen dat andere leraren met veel hart voor onderwijs dit boek niet kunnen gebruiken. Goed onderwijs is immers een zaak van ons allemaal. Dit boek vertelt hóé.

 Erik Meester, Wetenswaardig. Curriculumontwikkeling voor primair onderwijs. Pica, 2021, € 34,95. Boek bestellen?

zondag 8 augustus 2021

Waarom al die moeite? Ze moeten gewoon meedoen! (waarom dat niet altijd lukt, lees je hier ;-)

Natuurlijk moeten kinderen ‘gewoon’ leren. Trauma heeft echter invloed op het leerproces en de leerhouding van kinderen. Kinderen die getraumatiseerd zijn, nemen minder risico in de klas. Ze zijn minder geneigd deel te nemen aan leergesprekken, ze hebben veel moeite om hun aandacht bij de les te houden en zijn minder oplettend (eigenlijk letten ze vooral op de verondersteld onveilige omgeving) en minder betrokken bij de instructie. Ook hebben ze meer moeite om informatie op te nemen en instructies op te volgen.

Niet omdat ze niet willen leren, maar omdat ze dat niet kunnen op dat moment. Gewoon lesgeven en geen aandacht hebben voor het onderliggende probleem zorgt dus niet voor goed leren. Het zorgt hooguit voor een toenemende frustratie bij kind en leerkracht. Je kunt nu eenmaal alleen iets leren als je je goed voelt. 

Je kunt overigens ook alleen maar goed lesgeven als je je goed voelt. De school moet dus sterk inzetten op het promoten van een gezonde ontwikkeling en proberen preventief te werken aan allerlei gedragsproblemen. Als er interventies nodig zijn, moeten die zo vroeg mogelijk plaatsvinden.

‘Ik merk dat de meester mij goed snapt. Ik kan het gewoon tegen hem zeggen als ik ’s morgens chagrijnig binnenkom omdat er thuis iets is gebeurd. We hebben afgesproken dat iedereen me dan het eerste kwartier met rust laat. Ik geef zelf aan bij de meester dat ik weer “gewoon” ben.’

Ronald, twaalf jaar

Getraumatiseerde kinderen voelen zich, ook al zijn ze op school lichamelijk veilig [1], nog vaak allerminst veilig in de klas. Dat kan komen omdat het bij hen thuis niet altijd psychisch en fysiek veilig was (is). Het kan ook zijn dat ze fysiek onveilige gebeurtenissen hebben beleefd op hun vlucht uit een conflictgebied of dat ze gepest zijn. Hun overactieve stresssysteem laat bij de kleinste vermeende dreiging het alarm afgaan. 

Dit onveilige gevoel zorgt dat kinderen nog geen positieve relaties kunnen aangaan of kunnen leren van hun ervaringen. Dit gevoel van onveiligheid staat in de weg van het ontwikkelen van een eigen identiteit. Het staat ook hun zelfstandig functioneren in de weg.[2] 

En helaas zorgt het er ook vaak voor dat deze kinderen, die ons eigenlijk het hardst nodig hebben, worden gezien als kinderen die zich niet goed willen gedragen en die niet willen leren. Het kind kan echter pas tot leren komen als het fysiek, psychisch en sociaal veilig is. [2]

[1]  Soms is ook of juist de school geen veilige plek, maar daar gaat dit artikel niet over.

[2]  Blaustein, M.E. & Kinniburgh, K.M. (2015). Treating Traumatic Stress in Children and Adolescents: How to Foster Resilience through Attachment, Self-Regulation and Competency. New York: Guilford Press.

[2]  Blaustein & Kinniburgh, 2015

vrijdag 2 april 2021

Wat heeft onderwijs met Kindermishandeling te maken?

 “Ik was 12 jaar toen ik pas doorkreeg dat wat deze mannen deden, fout is. Ik zag een documentaire op televisie, waarin werd verteld dat als een man een kind wat aandoet, de man fout is. Ik had altijd gedacht dat ik fout was, en dat als ik erover zou praten ik naar de gevangenis moest'

"Ik ben in de eerste 14 jaar van mijn leven 16 keer in 7 verschillende ziekenhuizen opgenomen geweest’, weet Nina precies. ‘En dat was in het begin niet omdat ik me ziek voelde of pijn had, maar omdat ik van mijn moeder moest zeggen dat dit wel het geval is. ‘Jij moet de dokter vertellen dat je veel pijn in je buikje hebt. Hoor je wat ik zeg?’ ‘Maar ik heb helemaal geen buikpijn, mama.’ ‘Doe nu niet net alsof je geen pijn hebt. Zet me niet voor schut!’ "

'De eerste 25 jaar van mijn leven ben ik door met name mijn vader, maar ook mijn moeder  seksueel misbruikt. Daarnaast werd ik door mijn vader lichamelijk mishandeld en door mijn beide ouders psychisch mishandeld en soms verwaarloost. Mijn eigen herinneringen beginnen als ik 3-4 jaar ben.'

Ben je al geschokt? Ben je gestopt met lezen of heb je dat overwogen? Draait jouw maag ook om als je jezelf voorstelt dat dit kinderen of jongeren overkomt? Als je tot hier bent gekomen met lezen, behoor je waarschijnlijk niet tot de wegkijkers. 

Ik maak me stiekem kwaad over die wegkijkers. Maar daarmee is niemand geholpen. Blijven schrijven over dit ongemakkelijke onderwerp dan maar. De bovenstaande citaten zijn niet verzonnen. Het zijn de belevenissen van vrouwen, toen nog kinderen, jonge meisjes, die dit echt hebben meegemaakt. Je kunt er over lezen in Doorbroken taboes van Lana (Vicky) Bergman, Je bent een verschrikkelijk kind van Nina blom en Het duivelskind van Angel van der VechtEn ik kan je verzekeren, dit zijn niet de heftigste scènes.

Daarom het zo belangrijk dat leraren dit onderwerp durven aan te snijden. Kinderen hebben geen referentiekader en hebben bijna altijd het idee dat het hun eigen schuld is, dat zij een slecht kind zijn die dit soort dingen verdienen.

Help ze uit deze verschrikkelijke droom, geef ze een referentiekader en praat over dit onderwerp in de klas!

Anton Horeweg, auteur Dit is een verschrikkelijk boek met een gouden boodschap.

woensdag 17 februari 2021

Korte lontjes? En ze waren zo blij weer op school te zijn...

 

Op dit moment hoor ik van collega’s in het land dat er in klassen vaak een flink aantal kinderen zijn met korte lontjes. De vreugde van elkaar eindelijk weer zien is voorbij. De stress, de spanning van het lang thuiszitten (voor veel kinderen in een even gestrest gezin), het missen van je vriendjes, wellicht zieken in de naaste omgeving, het leven met minder structuur, dat alles draagt bij aan de korte lontjes van nu. Het is een normale reactie op de situatie, die natuurlijk ook nu nog verre van normaal is. Zet vooral in op praten over de situatie (en ook over wat er nu misgaat in de klas), doe veel gezamenlijke activiteiten (denk aan energizers tussendoor, maar ook coöperatieve werkvormen tijdens het leren), zoek naar creatieve werkvormen voor kinderen die niet willen of kunnen praten en accepteer dat het praten soms lestijd kost, ook al is die nu nog kostbaarder dan anders. Kinderen moeten tijd hebben om alles te verwerken. Ze moeten ook de tijd krijgen om weer ‘ lekker in de klas te zitten.’ Ga ook vooral door met school zoals school behoort te zijn. Het is ook fijn dat alles enigszins normaal is. De routines en jouw voorspelbaarheid helpen daarbij. Probeer niet boos te reageren op de korte lontjes, ga niet ‘preken’, maar praat voor over  ‘Wat gebeurde er nu net? Wat kan nu /volgende keer helpen?' Bepaal  vooral zelf wanneer je de boel stil legt om samen te praten en wanneer je les moet geven. Er is geen vaste regel voor. Je eigen vakmanschap bepaalt dat. Niet dat van externe deskundigen. Het is jouw klas en jouw #prachtvak.


Anton Horeweg,

Leerkracht, gedragsspecialist (M SEN).

donderdag 11 februari 2021

Kun je tegelijk over de finish komen na een valse start?

 

Eens stukje naar aanleiding van leerachterstanden en pedagogen. Ik vind mezelf trouwens leerkracht. Didacticus en pedagoog.

In vetgedrukt grote delen van de tekst die op 2 februari 2021 geplaatst is op Didactiefonline.nl

 

Je hebt niet veel aan ‘veerkracht’ met grote leerachterstanden.

Daar ben ik het niet mee eens. Je hebt niets aan leerachterstanden, maar juist bij veel achterstand is veerkracht wel degelijk van belang. Veerkracht zorgt er namelijk voor dat je opkrabbelt na tegenslagen. En deze pandemie, met schoolsluitingen, met een vermeende(?), zo gevoelde (?) echte(?) achterstand, mag je gerust een tegenslag noemen. Ik denk zelfs dat we later deze gebeurtenissen scharen onder ACE’s. Ingrijpende gebeurtenissen in je jeugd. Veerkracht zorgt ervoor dat je je leven kunt oppakken en hulp van de leraar is daarbij nodig en zeer welkom.

 Op sociale media bagatelliseren allerlei ‘pedagogen’ de zorgen over leerachterstanden die door de coronacrisis immer toenemen. Het zou meer moeten gaan over het welbevinden van onze jeugd. Een valse tegenstelling, volgens een onderwijskundige

Dat we hier praten over een valse tegenstelling ben ik met hem eens. We moeten leerlingen helpen om straks bij de herstart en lang daarna, zoveel mogelijk efficiënt, effectief en dus goed doordacht les te geven. Maar eerlijk gezegd moest dat lang voor dat corona op het toneel verscheen ook al. Is dat niet wat onderwijs zou moeten zijn?

Het is ondertussen februari 2021, we zitten in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, midden in de coronapandemie. De scholen sluiten voor het gros van de kinderen, gaan weer (half) open, en weer dicht. Kinderen moeten om de haverklap thuisblijven vanwege een loopneus in het gezin. Gebogen over een laptopje lessen volgen, zo goed en kwaad als het gaat. Dat dit zijn weerslag zou hebben op hun leerresultaten was te voorspellen: we weten al jaren dat de zomervakantie leidt tot cognitieve achteruitgang, en vooral bij sociaal kwetsbare kinderen.

Ook hier ben ik het roerend met deze onderwijskundige eens. Als je zes hoog achter woont, met vijf broertjes en zusjes en je alleenstaande moeder of als je met 8 familieleden in een klein flatje met slechte wifi en (g)een laptop zit, heb je het zwaar. Zie maar eens (online) te leren. Wat dat betreft illustreert de serie Klassen dat heel duidelijk. En ja, na de zomervakantie hebben veel kinderen een terugval in hun kennis. Gelukkig houdt elke leraar daar rekening mee.

Groeiende ongelijkheid

Terecht spreken velen, waaronder de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs Arie Slob (ChristenUnie), hun zorgen daarover uit. Ze bedenken plannen om de leerachterstanden aan te pakken. Nee, zeggen een aantal ‘pedagogen’ op sociale media (ik zal maar geen namen noemen), niet doen: „Het gaat nu toch vooral om het welbevinden van de kinderen?” Kinderen hebben volgens hen geen achterstand maar „zijn precies waar ze moeten zijn”. Sommigen stelden de retorische vraag: „Achterstand ten opzichte van wie of wat?”

Ja, (bijna)alle kinderen hebben een achterstand door de schoolsluiting en de online lessen. Alle inspanningen ten spijt. Een groot aantal kinderen, waarvan we nu massaal doorhebben dat ze zes hoog achter wonen met acht familieleden in een te klein huis en waar veel (armoede) problemen zijn kampen al jaren met die achterstanden. Dat maakt het niet minder erg. Wel goed dat ‘iedereen’ het er over heeft. Nu het geld naar het onderwijs om er iets aan te doen.

Ja, sommige kinderen hebben meer achterstand dan anderen, doordat het ene kind beschikte over een leerplek, goede wifi en ouders die tijd en kennis hadden om uit te leggen wat de leraren nu niet konden. De kinderen die nu nóg meer in het nadeel waren, zijn dezelfde kinderen die al jaren geen eigen leerplek hebben (behalve in de klas) en die al jaren niet geholpen konden worden door hun ouders, vanwege allerlei beperkende omstandigheden.

Nee, er is geen achterstand. Achterstand ten opzichte van jezelf is lastig te meten. Als dat al kan. Achterstand ten opzichte van een norm (bedacht door mensen die ervoor gestudeerd hebben en meestal geen idee hebben van ‘achterstanden’ en moeilijke omstandigheden tijdens het opgroeien) is zeker te meten. De vraag hoe erg het is, is een lastige. Leraren zullen met een beredeneerd en selectief programma veel kunnen doen. Maar is dat niet wat leraren altijd doen? Beredeneerd kiezen van leerstof, aangepast aan wat nodig is en binnen de grenzen van het mogelijke?

Weten zij niet dat we in Nederland onder normale omstandigheden niet eens in staat zijn om een deel van de leerlingen voldoende kennis en vaardigheden mee te geven om succesvol te kunnen deelnemen aan de maatschappij? Ten opzichte van elkaar en het curriculum wat we in Nederland met elkaar hebben vastgesteld natuurlijk!

Volgens mij kan bovenstaande stukje dat de deskundige noemt geen leerkracht ontgaan zijn. Het domineert elke keer weer het nieuws. Er is een structureel probleem in ons onderwijs. Als bijna een kwart van de kinderen met onvoldoende leesvaardigheid van school gaat, mag je dat best zo stellen. Die kinderen hebben zeker een achterstand. Zelfs als je  ze niet vergelijkt met anderen. Op de basisschool leer je lezen, rekenen en spelling. De basis.

Ten opzichte van elkaar, is het een race dan? Nee, bij een race gaat het om wie het eerste over de eindstreep komt. Het onderwijs is erop gericht dat iedereen in ieder geval op tijd binnen is. In deze crisis is het nog moeilijker geworden om dat streven waar te maken. Leerlingen zijn door al dat ‘thuisonderwijs’ steeds meer aangewezen op hun ouders en dat is oneerlijk. Hoogopgeleide ouders rapporteren dat ze veel beter in staat zijn om hun leerlingen te helpen met schoolwerk, regelen gemakkelijker een goede laptop en een rustige kamer om op te werken. Mocht dat onvoldoende helpen, kopen ze dure bijlessen in. Je kan het de ouders niet kwalijk nemen maar het resultaat is duidelijk: het toch al groeiende gat tussen kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders wordt door deze crisis alleen maar groter.

Naar mijn mening alweer geen speld tussen te krijgen. Bemiddelde ouders kopen bijles, minder bemiddelde ouders nemen er soms een tweede baan voor en anderen kunnen het niet betalen. Dat die bijles nodig is, is naar mijn idee puur slecht. Maar heeft niets te maken met de coronacrisis. WEL met de onderwijscrisis. Te volle klassen, te weinig leraren en blijkbaar onvoldoende ‘goede’ instructie.

Veerkracht zonder vaardigheden

En dat curriculum dan, waarom zouden we daar zo krampachtig aan vast houden? Omdat dat curriculum zodanig is opgebouwd dat de leerlingen die het doorlopen goed voorbereid zijn op vervolgonderwijs en samenleving. Je zou het misschien niet verwachten maar er is over nagedacht, dat curriculum. „Ach”, posten de ‘pedagogen’, „leerlingen leren in deze crisis ook hele andere waardevolle dingen. Hun band plakken met vader, een taart bakken voor de buren, veerkrachtig zijn en jezelf vermaken in tijden dat er veel niet mag.” Hop, weer een paar honderd likes binnen, dat geeft die ‘pedagogen’ vast een goed gevoel. Toekomstige werkgevers zien die leerlingen ondertussen al aankomen: kunnen geen behoorlijke e-mail opstellen, vraag ze niet om iets uit te rekenen, geen idee hoe de wereld in elkaar zit, maar ze hebben volgens de pedagogen wel veerkracht. Ze hebben destijds zelfs nog een taart gebakken voor de buurvrouw.

Dit vind ik een onnodig denigrerend stuk, hoewel waarschijnlijk geschreven vanuit grote zorg om leerlingen. Er zijn mensen die zeggen: ‘Kinderen hebben zoveel andere dingen geleerd.’ Goed mogelijk. Maar om bij school te blijven: ze moeten goed leren lezen, rekenen en spellen. Voor later. Leuk dat je nu een ei kunt bakken, weten hoe je een scherm deelt in Teams, maar de basisvoorwaarden om deel te nemen aan onze samenleving moet je tóch nog leren. Overigens: om mee te draaien in een samenleving heb je ook andere vaardigheden nodig, dat je niet het idee hebt dat ik nu niet denk aan zaken als ‘op respectvolle wijze omgaan met elkaar, enz.’

‘Pedagogen’ die leerachterstanden bagatelliseren, Douwe vindt daar wat van: „zij doen mij denken aan miljonairs die zeggen dat geld er niet toe doet.” Ik weet niet of Douwe echt bestaat, of dat dit de gedachte van de onderwijswetenschapper is. Ik vind het wat kort door de bocht om iedereen die andere accenten legt in zijn onderwijsvisie meteen in de hoek van ‘jij hebt makkelijk praten’ gezet wordt. Die tegenstelling is volgens mij een valse.

Daan een vriend van mij zei: ‘Mensen die veel gestudeerd hebben, zonder tegenslagen zijn opgegroeid in een mooi huis en een evenwichtig gezin en die het welzijn van kinderen niet meenemen in hun kijk op de onderwijscrisis in de gedaante van de coronacrisis hebben makkelijk praten.’ 

Ik denk dat veel van de kinderen die besproken zijn in dit verhaal het vooral nodig hebben dat iemand hen ziet, tijd voor ze heeft, plezier met ze maakt, de situatie laat verwerken en dan keihard met ze aan de slag gaat om lekker lezen, rekenen en spelling te leren.

 

zaterdag 30 januari 2021

Als de scholen open gaan #sarcasmmode

 

Goed nieuws: ondanks de risico’s voor (met name oudere leerkrachten, leerkrachten met onderliggende kwalen of leerkrachten met kwetsbare familieleden) gaan de scholen weer open. Risico’s op slechte afloop zijn verwaarloosbaar. Hoeveel dode leerkrachten ken jij tenslotte? Dor hout moet nu eenmaal toch weg, dus opgeruimd staat netjes. Houd gewoon anderhalve meter afstand zeikerds.  Ik ben nu mijn praatje voor de opening aan het voorbereiden, geïnspireerd door onder andere een berichtje in  Trouw.

‘Jongens en meisjes, wat ben ik blij dat jullie weer op school zijn.’ Goed nieuws hoor, dat we elkaar weer zien. Jullie hebben goed je best gedaan in de periode dat we dicht waren. Ik moet jullie echter ook iets vertellen wat minder leuk is. Jullie lopen ontzettend achter door de coronacrisis en het zal jaren duren om dat in te halen.  Áls je het al in kan halen hé? Want het leven gaat ondertussen natuurlijk gewoon door.’

Ik weet zeker dat de bijdehandte Emma dan iets gaat vragen als:  ‘Meester, bij wie lopen we achter? De hele wereld zat toch in lockdown?’ Ik zie mezelf al stamelen:  ‘Ja, eh…Kijk dat zit zo: Grote mensen hebben normen bedacht waar je elk jaar aan moet voldoen. Elk jaar leer je meer. Maar nu je zo lang geen les hebt gehad, mis je heel veel. Dat moet je inhalen en dat duurt erg lang. Járen, zegt een groep knappe koppen van buiten het onderwijs.’ Emma zal zich niet snel laten overtuigen, met haar debatvaardigheden is ze ver vooruit. ‘Maar u zei net dat we heel erg goed gewerkt hadden toen we thuiszaten.’  En ik stamel gewoon door: ‘Ja, dat wel, eh, wel goed hoor. Ik wil jullie niet demotiveren, dat betekent alle zin in leren ontnemen. Maar het is niet genoeg begrijp je?’ En Emma zal volharden en niet willen begrijpen dat volgens een aantal deskundigen haar leven op school vrij zinloos lijkt. Een achterstand van jaren. Hoeveel jaar? 2? 8? Ze is pas 11. Dat is een berg die je niet kunt overzien. 

En ik hoor Luuk al. Luuk heeft toch nooit veel zin in school en leren. ‘Nou meester, dan doe ik maar meteen niks meer. Ik vond er toch al geen reet aan hier.’ En ik zal iets mompelen over zijn  taalgebruik, maar verder snap ik hem heel goed. Hij moest al alle zeilen bijzetten. Ik zou er ook de brui aan geven denk ik. 

En als ik er beter over nadenk (deden die deskundigen dat ook maar), bedenk ik me dat veel kinderen al achterliepen vanaf de start. Van velen weten we dat ze die achterstand niet goed maken. Daar leek niemand zich echt druk over te maken, behalve een handjevol leerkrachten. Beleidsmakers deden uiteraard wel alsof ze zich druk maakten: Ze maakten zich hard voor goed onderwijs zeiden ze, maar zo gauw het woord geld in het gesprek voorkwam haakten ze af.

Maar dit keer is het anders, kopt de krant. Er moeten extra handen in de klas komen. Daar hoor je trouwens wel vaker iets over, klik maar eens op deze link van Google. En de aanpak (welke dat ook wordt), moet gelden voor het hele onderwijs, want dat blijkt óók getroffen te zijn. En de bollenbozen willen ons nog op het hart drukken dat we over een jaar of acht ons nog steeds moeten realiseren dat dat kind voor je neus in 2019 en 2020 minder onderwijs heeft gehad. ‘Als corona dan allang weer weg is, moet een docent zich realiseren: oh ja, toen er corona was zat jij in groep acht en toen heb je veel minder les gehad.’ En dan? Dan gaat die docent proberen de leerstof goed uit te leggen? Dat deed hij ook al voor corona.

Ik vind dit een zwartgallig verhaal. Ja, kinderen die 6 hoog achter wonen, met een grote familie in een klein huis zonder goede wifi of überhaupt een laptop, zitten, zijn zwaar in het nadeel. Waarschijnlijk nog meer dan ‘vroeger.’  Maar laten we niet vergeten dat ze al heeeeel lang in het nadeel zijn. We moeten daar zeker goede lessen, geld en alle mogelijke hulp tegenaan gooien.

#sarcasmmodeoff

Stel dat we 'veilig' open kunnen. Dan zou het voor kinderen volgens mij beter werken als we zeggen: ‘Jongens en meisjes, wat fijn dat jullie er zijn!. Hoe is het met jullie? Hoe ging het thuis? Jullie hebben super je best gedaan tijdens de schoolsluiting. Het goede nieuws is, dat we nu met zijn allen keihard gaan werken. Hebben jullie dat ook zo gemist?’ En Emma zal ongetwijfeld in discussie willen: ‘Maar meester u zei toch vóór de schoolsluiting ook altijd dat we lekker keihard moesten werken?’ En Luuk zal diep zuchten. En ik zal naast hem gaan zitten een tik tegen zijn schouder geven en zeggen ‘Luuk jongen, ik heb jou en je gezucht echt gemist. Wat ben ik blij je te zien jongen.’ En Luuk zal nog een keer zuchten en keihard aan het werk gaan.

dinsdag 8 december 2020

Altijd Druk, Houd Dieet?

 

Verscheen eerder in Balans Magazine van Oudervereniging Balans.

‘Kijk’, zei de moeder van Sem, die na schooltijd voor mijn neus stond. ‘Ik heb hier twee artikelen over ADHD en voeding. Dat het werkt. Nou ja, en een dat het niet werkt.’ Ik keek naar de artikelen, die ik wel kende. In het ene artikel wordt de vloer aangeveegd met de claim dat voeding helpt om ADHD te laten verminderen. In het andere artikel wordt beweerd dat een aangepast dieet zorgt dat je ADHD als sneeuw voor de zon verdwijnt.

In het ene stond: Het is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd of er een verband is tussen voeding en ADHD. Daardoor kunnen er geen concrete voedingsadviezen worden gegeven om symptomen van ADHD te verminderen. Deze conclusie is gebaseerd op enkele onderzoeksactiviteiten die het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS in de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd op dit terrein.[1][AH1] 

In het andere stond: Bij 78% van de 50 kinderen  verminderden de verschijnselen van hun ADHD na een zogenaamd RED dieet (Pelser)[2]

Beide artikelen had ik gelezen en voor mij stond een moeder wiens kind behoorlijk ADHD heeft. ‘Ik heb gehoord dat voeding ADHD laat verdwijnen,’ zei ze. ‘Wat vindt u ervan?’ ‘Eerlijk gezegd heb ik geen idee. Ik ben gewoon leerkracht. En ja ik heb me verdiept in ADHD, maar vooral in de ‘schoolkant’ van het verhaal. Voeding hoort daar niet echt bij, bovendien vechten wetenschappers elkaar de tent uit over dit onderwerp. Ik herinner me een cartoon van een hele dikke jongen in een luie stoel. Hij zat aan een hamburger en volgens zijn moeder was hij veel minder actief sinds dit fastfood dieet.’

Er wordt wel gezegd dat door consequent met zo’n dieet bezig te zijn er ongemerkt structuur ontstaat in het gezin. Structuur die misschien daarvoor ontbrak. Maar wat als die structuur er altijd al was? Ben je wat je eet? Ik besloot me er niet aan te wagen aan iets waarin ik me niet uitputtend verdiept heb en het verhaal van beide partijen uit te leggen. Uitleggen, daar heb ik me wel in verdiept, dus dat lukt me wel. ‘Dus eigenlijk heb je geen idee?’ Zei de moeder na mijn verhaal een beetje teleurgesteld. ‘Nee,’ moest ik bekennen. ‘Zelf zou ik zeggen probeer het gewoon als u hoop heeft dat het helpt. Het ene kind is immers het andere niet? Stel je voor dat het werkt. Ik zou zeggen keep an open mind.’

Inmiddels zijn we een half jaartje verder. Sem stuitert nog even vrolijk rond als vroeger, maar hij eet wel een stuk gezonder.

 



[1] Voeding en ADHD Eindrapportage en aanbevelingen voor vervolgonderzoek RIVM briefrapport 350021003/2013 S.W. van den Berg | J.M.A. Boer | H. Verhagen

[2] Effects of a restricted elimination diet on the behaviour of children with attention-deficit hyperactivity disorder (INCA study): a randomised controlled trial Dr Lidy M Pelsser, Klaas Frankena, PhD, Jan Toorman, MD, Prof Huub F Savelkoul, PhD, Prof Anthony E Dubois, MD, Rob Rodrigues Pereira, MD, Ton A Haagen, MD, Nanda N Rommelse, PhD, Prof Jan K Buitelaar, MD. The Lancet Volume 377, No. 9764, p494–503, 5 February 2011

 


 [AH1]Ik weet niet of je de verwijzing erbij wilt?

zaterdag 14 november 2020

Waarom ik weer?

 

Jesse (11 jaar, ADHD, groep 7), heeft het lastig op school. Het gaat regelmatig mis als de leerkracht en hij elkaar weer niet goed begrijpen. Vandaag geeft de juf uitleg over breuken. Taaie en vooral ook saaie kost vindt Jesse, maar hij doet zijn best om niet af te dwalen met zijn gedachten. Hij wil eigenlijk graag goed leren.
Jesse luistert ingespannen naar de uitleg. Daarbij zit hij te spelen met zijn pen. Hij kijkt nauwelijks naar het bord. De juf heeft daar al twee keer wat van gezegd. De eerste keer vriendelijk en de tweede keer iets dwingender. Dat heeft geen effect: Jesse wriemelt nog steeds met zijn pen en kijkt nog steeds niet naar het bord.

De derde keer is de leerkracht het goed zat. "Jesse! Doe nu die pen weg en probeer eindelijk eens op te letten!!" "Ik luister heus wel!", roept Jesse terug. Hij voelt zichzelf boos worden over deze oneerlijke behandeling. Zit hij goed zijn best te doen, krijg je dit weer. ‘Je luistert helemaal niet. Je zit maar te spelen met die stomme pen!’ Jesse springt boos op, stampt naar de deur onder het uitroepen van ‘Je moet ook altijd mij hebben!’ en knalt de deur achter zich dicht. Boos loopt hij over de gang, kwaad dat het wéér niet gelukt is om het goed te doen.


Zijn verdrietige gedachten tollen door zijn hoofd: ‘Waarom overkomt mij dit telkens? Snapt de juf dan niet dat friemelen en niet naar het bord kijken ervoor zorgen dat hij júíst goed oplet? Waar staat dat je alleen kunt opletten als je doodstil zit? Dat de juf dat nou niet snapt dat hij moet bewegen.’
Nijdig geeft hij een schop tegen een tas die onder een kapstok staat. ‘Rotjuf’, denkt hij boos. Met weemoed denkt hij terug aan vorig jaar. Juf Simone begreep hem veel beter. Daar mocht hij friemelen en wiebelen en als het echt niet meer ging mocht hij zelfs vijf keer de trap op en neer rennen. Daarna kon hij er weer even tegen. Hij moet glimlachen als hij daaraan denkt. Hij heeft wel eens opgevangen dat andere leerkrachten vonden dat juf Simone niet handig bezig was. ‘Wie weet wat die jongen allemaal op de gang gaat uitspoken als jij hem laat gaan’, had de juf van groep 6 gezegd. De juf had alleen gezegd: ‘Dat doet Jesse niet. En stel dat hij iets zou doen dat niet goed is, dan praat ik daarover met hem. Zo simpel is het.’ Niet dat het ooit nodig geweest was, Jesse zou wel gek zijn. Hij vond het heerlijk dat de juf zoiets voor hem geregeld had. Misschien kon zijn juf eens met juf Simone gaan praten…

 

zaterdag 18 april 2020

‘Ondersteuning van kwetsbare kinderen tijdens coronacrisis.’

In dit artikel vind je de strekking van mijn verhaal voor de video van het Lerarencollectief (https://youtu.be/bvLgKfAvGOI) in tekstvorm (en wellicht iets uitgebreider).

Een opmerking vooraf: de werkdruk is immens groot. Veel collega’s willen alles en liefst nog méér doen, maar aan alles zit een grens. Ook als dat slecht uitkomt of heel triest is. Wat je hier leest is dus allerminst iets dat je moet doen. Het is wat je kunt doen. Ook leraren zijn gewone mensen. Doe wat je kunt en wilt. Besef dat je als leraar zéér belangrijk bent voor met name de kinderen die onveilig opgroeien.

Beste collega’s,
we moeten op dit moment de gezelligheid van onze klas missen. Veel kinderen missen die ook. Wat een aantal van onze kinderen zeker ook missen is veiligheid. Normaal gesproken is hun klas de veilige haven. Ze komen bij een juf of meester bij wie ze terecht kunnen; een juf of meester die voorspelbaar en duidelijk is. Een klas waar ze even hun zorgen om thuis (als die er zijn natuurlijk) kunnen vergeten. School is een plek waar je gezellig met zijn allen bezig bent aan leren. En dat kán ook; juist omdat school een veilige plek is.

We weten inmiddels uit onderzoek en bevindingen uit de praktijk het volgende.
Voor veel kinderen geldt dat ze:
-geen veilige thuissituatie hebben en dat die onveiligheid toeneemt met het langer duren van de coronacrisis.
-deels alleen thuis zijn, omdat hun ouders in ‘cruciale beroepen’ werken.
-geen eigen werkplek hebben en soms in de douche of zelf in een kast zitten om maar rustig te kunnen werken geen internet /geen of niet voldoende digitale hulpmiddelen hebben en dat dit echt niet alleen in ‘arme’ gezinnen zo is.

We weten dat ouders: 
-niet kunnen uitleggen zoals de juf/meester en dat dit tot ruzie en frustratie leidt. Zelfs bij leerkrachten die ook ouder zijn.
-niet altijd digitaal vaardig zijn en zeg eerlijk, kon jij al met Teams of google classroom werken? Velen van ons hebben dat pas geleerd in deze crisis.
-niet altijd een ‘georganiseerd’ huishouden hebben en het niet voor elkaar krijgen om hun kind om tien uur bij jouw online les te laten aansluiten
-soms moeite hebben om hun kind überhaupt aan het schoolwerk te krijgen.
-We weten dat het hebben van een ‘special needs’ kind, nog meer vraagt.
-En bovenop dit alles is er de zorg om de gezondheid. Gezondheid van naaste familie, van het gezin.
Voor kinderen met ouders in de cruciale beroepen, geldt dat nog meer. Het is voor veel kinderen een heel erg angstig idee dat mama of papa, die bijvoorbeeld die verpleegkundige is, nu de hele dag tussen zieke mensen loopt. De zorg hierom legt een schaduw over het lekker leren.
-Bovenop dit alles komen ook de financiële problemen die gezinnen soms hebben of zullen krijgen. Het verlies van banen, minder geld hebben voor het eten… Ook die stress in het gezin werpt een schaduw over het lekker leren.

Stress en brein: hoe stress het leren lastig of zelfs onmogelijk maakt.
Je brein heeft globaal gezien drie delen. Alsje veel stress ervaart, heeft dat invloed op je brein. Zo werkt je geheugen minder goed en verwerk je informatie minder goed of helemaal niet.

Een voorbeeld uit de praktijk van deze periode:
Ik moest boodschappen doen in de supermarkt. De supermarkt is op dit moment een onveilige plek. Anderhalve meter afstand houden is lastig, sommige mensen houden zich daar niet aan en mensen komen van alle kanten. Ik loop dus met behoorlijk wat stress boodschappen te doen. Wat ik merkte, was dat ik vooral gespitst was op bewegingen van andere mensen. Hoewel ik met het boodschappenlijstje in mijn hand rondliep, pakte ik verkeerde merken, en verkeerde producten. Ook moest ik soms drie keer naar hetzelfde schap om zaken te pakken die ik ook in één keer had kunnen pakken. Dat is wat stress met je doet. De informatie komt niet goed binnen, wordt niet goed geïntegreerd. Zie dan maar eens te gaan leren.

Samenvattend tot nu toe:
Oplopende stress bij kind en ouders, zorgen voor Leerbelemmeringen.

Wat kun je doen als leerkracht: Wat kun je doen om (beperkt) bij te dragen aan de veiligheid en de stressvermindering bij kinderen?

Tip 1a: Als je contact hebt met kinderen uit je klas, praat vooral ook over hoe het met ze gaat (en met hun ouders). Zowel één op één als ‘klassikaal.’ Gedeelde smart is echt halve smart. Het helpt kinderen enorm als ze weten dat zij niet de enigen zijn die zich zorgen maken of zich rot voelen. Idee: ‘Teken allemaal een smiley van hoe jij je voelt. Variant: hoe voelen je vader, moeder, broertje, zusje zich? Gebruik om het gesprek te voeren over hoe het gaat, bijvoorbeeld de vragenlijst van Kees van Overveld.
Tip1b: Wat je ook kunt doen, is deze lijst in aangepaste vorm naar kinderen sturen, zodat ze die zelf invullen. Ik vond hem op https://bit.ly/2JKmgeI Je kunt de lijst daar downloaden in printable form. https://bit.ly/2wj4OuH Compleetmet stappenplan hoe je de lijst kunt inzetten.

Tip 2: Spreek met kinderen af dat ze je altijd mogen appen, bellen, mailen of op welke manier je dan ook contact wilt. Maak die afspraken heel expliciet: vertel bijvoorbeeld datje niet altijd direct kunt reageren of dat kinderen na tien uur ’s avonds geen antwoord meer krijgen. Als je kinderen hebt om wie je echt veel zorgen hebt, bel/skype/app die dan het liefst elke dag. Besef dat je een ‘lifeline’ bent voor kinderen die ‘niemand anders hebben.’

Tip 3: Vertel je klas over de kindertelefoon. Veel kinderen kennen de kindertelefoon wel, maar weten er niet het fijne van. Als volwassene kom je op het idee het nummer op te zoeken, kinderen niet altijd. Leg uit dat je er ook anoniem kunt chatten. Bekijk samen het uitlegfilmpje van twee minuten. Bij de bronnen vind je meer informatie.

Tip 4: Veel kinderen (ook degenen die veilig opgroeien) zijn in deze tijd erg bezorgd. Dat blijkt onder andere uit de vele telefoontjes die de kindertelefoon krijgt over corona. Praat erover met je klas. Het is belangrijk dat kinderen hun zorgen samen kunnen bespreken. Zoals je in de tutorial van Kees kon horen, kun je strategieën om kalm worden bespreken. Als je online bent met je klas, doe dan regelmatig ‘iets leuks.’ (bijv. gymganzenbord). Zo blijf je werken aan je groep en verlicht je even ieders zorgen door het samen plezier hebben. Maak een klassenblog aan. Er zijn scholen waar kinderen en leerkrachten een blog of een vlog maken over hoe het gaat thuis. De leuke dingen en de minder leuke dingen. Dit delen ze met Spreek af dat kinderen die ‘nog meer willen praten’ je altijd kunnen appen, mailen, bellen, enz. Wijs op anderen die misschien beschikbaar zijn (buurvrouw, opa, enz.)

Tip 5: Praat met / luister naar ouders als je problemen vermoedt. Sommige ouders zal het water aan de lippen staan. Zaken als verlies van inkomen en werk, thuiswerken met het hele gezin om je heen en zorgen over zieke familieleden kunnen behoorlijk veel stress geven. Heb dus vooral begrip voor hun situatie. Geef eventueel voorzichtig praktische tips als je kunt en snap dat ‘school’ niet altijd op nummer één zal staan. Bij twijfel over de veiligheid van een kind is altijd overleg met directie/MT nodig over verder stappen. Denk daarbij aan ouders die je totaal niet kunt bereiken, terwijl je ook niets van het kind hoort of ziet. Bedenk dat kinderen niemand anders hebben als het thuis niet veilig is en dat jij echt van groot belang bent voor ze.

Welke kinderen lopen (meer) risico?
- Natuurlijk de kinderen waarvan je (als school) al weet dat ze een onveilige situatie hebben. Dat zijn er veel. Volgens Veilig thuis zijn dat er zeker 4000. Bij die kinderen is de situatie acuut of structureel onveilig (peiling februari 2020).
- Kinderen die thuis wonen met een kinderbeschermingsmaatregel. Deze kinderen hebben een zogenaamde Onder Toezicht Stelling (OTS). Ook dat zijn er veel: zo’n 20.000. Een gezinsvoogd begeleidt dan weliswaar het gezin, maar die voogd is er natuurlijk maar zo nu en dan. En ook de jeugdzorgwerkers leggen minder bezoeken af.
- Gezinnen waar al hulp is of waar risico’s al zijn gezien, maar waar VT nog niet in gekend is. Deze ouders hebben dan vaak hulp geaccepteerd, maar in deze crisis hebben bijna alle mensen een wat korter lontje en is het moeilijk om met de situatie om te gaan.
- Kinderen waarvan de ouders in een scheiding zijn verwikkeld. In een moeilijke tijd als deze kan zo’n zware situatie makkelijker escaleren. - Kinderen waarvan ouders een zwaardere opvoedtaak hebben. Denk aan kinderen met heftige gedragsproblemen, ernstig ADHD of autisme, enz. De opvoedtaak is dan extra zwaar. Als je het als ouder dan zelf ook zwaar hebt, wordt de belasting soms te groot.

Samenvatting: 
• Leren kun je alleen als je niet te veel stress hebt.
• Praat over hoe kinderen zich voelen, waar ze bang voor zijn, wat goed gaat (Schema Kees van Overveld)
• Praat met je klas over de kindertelefoon
• Praat ook één op één met kinderen.
• Bied kinderen die vaker willen praten/ongerust zijn de mogelijkheid (Vragenlijst Karen Young) • Doe met je hele groep een ‘leuke activiteit.’ (groepsvorming)
• Praat met ouders indien nodig
• Onderneem verder stappen als dat nodig is (Meldcode)
• Voor onveilig opgroeiende kinderen ben jij de ‘lifeline.’

Tot slot: Leraren geven onderwijs. Dat is ons vak. Toch moeten we op dit moment enigszins relativeren en begrijpen dat onderwijs moet, maar niet altijd mogelijk is. Ondanks ieders inspanningen. Dat is niemands schuld. Leraren werken zich drie slagen in de rondte, bijna alle kinderen zouden het liefst weer in de klas zitten en alle ouders proberen met kunst en vliegwerk hun gezin draaiend te houden. De omstandigheden zijn zoals ze zijn. Het belangrijkst is dat alle partijen blijven samenwerken.

Samen kunnen we veel. Ik weet ook: De mogelijkheden om daadwerkelijk te helpen zijn beperkter dan normaal. Dat besef knaagt bij mij en bij heel veel leerkrachten. Voorgaande ideeën kúnnen misschien een kleine bijdrage zijn om kinderen te helpen. Het allerbelangrijkste voor veel kinderen zal het idee zijn dat ze hun juf of meester er voor ze is. Dat ze gewoon mogen appen of bellen als het nodig is. Want dié steun doet er echt toe!

Bronnen:
Ajrovic, S. (2020). Feiten voor bij het Skypen. Kansenongelijkheid kan toenemen door thuisonderwijs. Volkskrant, 27 maart 2020. https://bit.ly/2yyqzHu Bouma, R. Gymganzenbord. Te downloaden via https://bit.ly/2xSwXsO
Dekker, M. (2020). Welke kinderen zijn thuis onveilig. Augeo magazine, 27 maart 2020.
Horeweg, A. (2018). De traumasensitieve school. Anders kijken naar gedragsproblemen in de klas. Leemans, L. (2020). Welbevinden in coronatijd: hoe voelen je leerlingen zich? Vragenlijst welbevinden: https://bit.ly/2wj4OuH
Oostveen, M. (2020). De Kindertelefoon hoort veel kinderen al vastlopen. Volkskrant, 24 maart 2020. https://bit.ly/2ULg0td
Horeweg, A. (2020). Kinderen in de knel tijdens coronacrisis. Wat kun jij als leerkracht doen?
van Overveld, K. (2020). Aandacht voor sociaal emotioneel leren op afstand. https://bit.ly/2Xfxek3 Van Put, A. (2020). Zorgen over niveauverschil thuislerende kinderen: 'Verschillen straks groot.’ NOS, 30 maart 2020. https://bit.ly/39NciDC
Young, K.(2020). Vragenlijst. ‘What to Say to Help Kids Feel Calm When the World Feels Fragile.’ https://bit.ly/2wY92Z7 Hey Sigmund. Where the Science of Psychology Meets the Art of Being Human.
Extra ondersteuning voor kwetsbare leerlingen: https://bit.ly/2UKumtS

Handige sites: 
www.kindertelefoon.nl (anoniem) bellen, chatten (kinderen, jongeren)
Uitleg kindertelefoon op You tube https://youtu.be/XPTjbIKNc1M
www.jouwggd.nl (anoniem) voor bellen, chatten, informatie (jongeren).
www.deluisterlijn.nl bellen, chatten,(ouders)
Vragenlijst. https://bit.ly/2xSxF9s
Voor ouders en leerkrachten: https://bit.ly/2x6A3JL