Over mij

Mijn foto
Ik schrijf en geef lezingen over gedragsproblemen, gedrags- en ontwikkelingsstoornissen vanuit meer dan 35 jaar onderwijservaring, een Master SEN studie en veel, véél leeswerk. Ik benader alles vanuit de vraag "Maar wat kan ik er nu mee in de klas?" Beknopte theorie en veel praktische handreikingen die je morgen al kunt toepassen in je klas. Zie ook www.gedragsproblemenindeklas.nl

vrijdag 2 april 2021

Dit is geen gezellig blog

 “Ik was 12 jaar toen ik pas doorkreeg dat wat deze mannen deden, fout is. Ik zag een documentaire op televisie, waarin werd verteld dat als een man een kind wat aandoet, de man fout is. Ik had altijd gedacht dat ik fout was, en dat als ik erover zou praten ik naar de gevangenis moest'

"Ik ben in de eerste 14 jaar van mijn leven 16 keer in 7 verschillende ziekenhuizen opgenomen geweest’, weet Nina precies. ‘En dat was in het begin niet omdat ik me ziek voelde of pijn had, maar omdat ik van mijn moeder moest zeggen dat dit wel het geval is. ‘Jij moet de dokter vertellen dat je veel pijn in je buikje hebt. Hoor je wat ik zeg?’ ‘Maar ik heb helemaal geen buikpijn, mama.’ ‘Doe nu niet net alsof je geen pijn hebt. Zet me niet voor schut!’ "

'De eerste 25 jaar van mijn leven ben ik door met name mijn vader, maar ook mijn moeder  seksueel misbruikt. Daarnaast werd ik door mijn vader lichamelijk mishandeld en door mijn beide ouders psychisch mishandeld en soms verwaarloost. Mijn eigen herinneringen beginnen als ik 3-4 jaar ben.'

Ben je al geschokt? Ben je gestopt met lezen of heb je dat overwogen? Draait jouw maag ook om als je jezelf voorstelt dat dit kinderen of jongeren overkomt? Als je tot hier bent gekomen met lezen, behoor je waarschijnlijk niet tot de wegkijkers. 

Ik maak me stiekem kwaad over die wegkijkers. Maar daarmee is niemand geholpen. Blijven schrijven over dit ongemakkelijke onderwerp dan maar. De bovenstaande citaten zijn niet verzonnen. Het zijn de belevenissen van vrouwen, toen nog kinderen, jonge meisjes, die dit echt hebben meegemaakt. Je kunt er over lezen in Doorbroken taboes van Lana (Vicky) Bergman, Je bent een verschrikkelijk kind van Nina blom en Het duivelskind van Angel van der VechtEn ik kan je verzekeren, dit zijn niet de heftigste scènes.

Daarom het zo belangrijk dat leraren dit onderwerp durven aan te snijden. Kinderen hebben geen referentiekader en hebben bijna altijd het idee dat het hun eigen schuld is, dat zij een slecht kind zijn die dit soort dingen verdienen.

Help ze uit deze verschrikkelijke droom, geef ze een referentiekader en praat over dit onderwerp in de klas!

Anton Horeweg, auteur Dit is een verschrikkelijk boek met een gouden boodschap.

woensdag 17 februari 2021

Korte lontjes? En ze waren zo blij weer op school te zijn...

 

Op dit moment hoor ik van collega’s in het land dat er in klassen vaak een flink aantal kinderen zijn met korte lontjes. De vreugde van elkaar eindelijk weer zien is voorbij. De stress, de spanning van het lang thuiszitten (voor veel kinderen in een even gestrest gezin), het missen van je vriendjes, wellicht zieken in de naaste omgeving, het leven met minder structuur, dat alles draagt bij aan de korte lontjes van nu. Het is een normale reactie op de situatie, die natuurlijk ook nu nog verre van normaal is. Zet vooral in op praten over de situatie (en ook over wat er nu misgaat in de klas), doe veel gezamenlijke activiteiten (denk aan energizers tussendoor, maar ook coöperatieve werkvormen tijdens het leren), zoek naar creatieve werkvormen voor kinderen die niet willen of kunnen praten en accepteer dat het praten soms lestijd kost, ook al is die nu nog kostbaarder dan anders. Kinderen moeten tijd hebben om alles te verwerken. Ze moeten ook de tijd krijgen om weer ‘ lekker in de klas te zitten.’ Ga ook vooral door met school zoals school behoort te zijn. Het is ook fijn dat alles enigszins normaal is. De routines en jouw voorspelbaarheid helpen daarbij. Probeer niet boos te reageren op de korte lontjes, ga niet ‘preken’, maar praat voor over  ‘Wat gebeurde er nu net? Wat kan nu /volgende keer helpen?' Bepaal  vooral zelf wanneer je de boel stil legt om samen te praten en wanneer je les moet geven. Er is geen vaste regel voor. Je eigen vakmanschap bepaalt dat. Niet dat van externe deskundigen. Het is jouw klas en jouw #prachtvak.


Anton Horeweg,

Leerkracht, gedragsspecialist (M SEN).

donderdag 11 februari 2021

Kun je tegelijk over de finish komen na een valse start?

 

Eens stukje naar aanleiding van leerachterstanden en pedagogen. Ik vind mezelf trouwens leerkracht. Didacticus en pedagoog.

In vetgedrukt grote delen van de tekst die op 2 februari 2021 geplaatst is op Didactiefonline.nl

 

Je hebt niet veel aan ‘veerkracht’ met grote leerachterstanden.

Daar ben ik het niet mee eens. Je hebt niets aan leerachterstanden, maar juist bij veel achterstand is veerkracht wel degelijk van belang. Veerkracht zorgt er namelijk voor dat je opkrabbelt na tegenslagen. En deze pandemie, met schoolsluitingen, met een vermeende(?), zo gevoelde (?) echte(?) achterstand, mag je gerust een tegenslag noemen. Ik denk zelfs dat we later deze gebeurtenissen scharen onder ACE’s. Ingrijpende gebeurtenissen in je jeugd. Veerkracht zorgt ervoor dat je je leven kunt oppakken en hulp van de leraar is daarbij nodig en zeer welkom.

 Op sociale media bagatelliseren allerlei ‘pedagogen’ de zorgen over leerachterstanden die door de coronacrisis immer toenemen. Het zou meer moeten gaan over het welbevinden van onze jeugd. Een valse tegenstelling, volgens een onderwijskundige

Dat we hier praten over een valse tegenstelling ben ik met hem eens. We moeten leerlingen helpen om straks bij de herstart en lang daarna, zoveel mogelijk efficiënt, effectief en dus goed doordacht les te geven. Maar eerlijk gezegd moest dat lang voor dat corona op het toneel verscheen ook al. Is dat niet wat onderwijs zou moeten zijn?

Het is ondertussen februari 2021, we zitten in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, midden in de coronapandemie. De scholen sluiten voor het gros van de kinderen, gaan weer (half) open, en weer dicht. Kinderen moeten om de haverklap thuisblijven vanwege een loopneus in het gezin. Gebogen over een laptopje lessen volgen, zo goed en kwaad als het gaat. Dat dit zijn weerslag zou hebben op hun leerresultaten was te voorspellen: we weten al jaren dat de zomervakantie leidt tot cognitieve achteruitgang, en vooral bij sociaal kwetsbare kinderen.

Ook hier ben ik het roerend met deze onderwijskundige eens. Als je zes hoog achter woont, met vijf broertjes en zusjes en je alleenstaande moeder of als je met 8 familieleden in een klein flatje met slechte wifi en (g)een laptop zit, heb je het zwaar. Zie maar eens (online) te leren. Wat dat betreft illustreert de serie Klassen dat heel duidelijk. En ja, na de zomervakantie hebben veel kinderen een terugval in hun kennis. Gelukkig houdt elke leraar daar rekening mee.

Groeiende ongelijkheid

Terecht spreken velen, waaronder de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs Arie Slob (ChristenUnie), hun zorgen daarover uit. Ze bedenken plannen om de leerachterstanden aan te pakken. Nee, zeggen een aantal ‘pedagogen’ op sociale media (ik zal maar geen namen noemen), niet doen: „Het gaat nu toch vooral om het welbevinden van de kinderen?” Kinderen hebben volgens hen geen achterstand maar „zijn precies waar ze moeten zijn”. Sommigen stelden de retorische vraag: „Achterstand ten opzichte van wie of wat?”

Ja, (bijna)alle kinderen hebben een achterstand door de schoolsluiting en de online lessen. Alle inspanningen ten spijt. Een groot aantal kinderen, waarvan we nu massaal doorhebben dat ze zes hoog achter wonen met acht familieleden in een te klein huis en waar veel (armoede) problemen zijn kampen al jaren met die achterstanden. Dat maakt het niet minder erg. Wel goed dat ‘iedereen’ het er over heeft. Nu het geld naar het onderwijs om er iets aan te doen.

Ja, sommige kinderen hebben meer achterstand dan anderen, doordat het ene kind beschikte over een leerplek, goede wifi en ouders die tijd en kennis hadden om uit te leggen wat de leraren nu niet konden. De kinderen die nu nóg meer in het nadeel waren, zijn dezelfde kinderen die al jaren geen eigen leerplek hebben (behalve in de klas) en die al jaren niet geholpen konden worden door hun ouders, vanwege allerlei beperkende omstandigheden.

Nee, er is geen achterstand. Achterstand ten opzichte van jezelf is lastig te meten. Als dat al kan. Achterstand ten opzichte van een norm (bedacht door mensen die ervoor gestudeerd hebben en meestal geen idee hebben van ‘achterstanden’ en moeilijke omstandigheden tijdens het opgroeien) is zeker te meten. De vraag hoe erg het is, is een lastige. Leraren zullen met een beredeneerd en selectief programma veel kunnen doen. Maar is dat niet wat leraren altijd doen? Beredeneerd kiezen van leerstof, aangepast aan wat nodig is en binnen de grenzen van het mogelijke?

Weten zij niet dat we in Nederland onder normale omstandigheden niet eens in staat zijn om een deel van de leerlingen voldoende kennis en vaardigheden mee te geven om succesvol te kunnen deelnemen aan de maatschappij? Ten opzichte van elkaar en het curriculum wat we in Nederland met elkaar hebben vastgesteld natuurlijk!

Volgens mij kan bovenstaande stukje dat de deskundige noemt geen leerkracht ontgaan zijn. Het domineert elke keer weer het nieuws. Er is een structureel probleem in ons onderwijs. Als bijna een kwart van de kinderen met onvoldoende leesvaardigheid van school gaat, mag je dat best zo stellen. Die kinderen hebben zeker een achterstand. Zelfs als je  ze niet vergelijkt met anderen. Op de basisschool leer je lezen, rekenen en spelling. De basis.

Ten opzichte van elkaar, is het een race dan? Nee, bij een race gaat het om wie het eerste over de eindstreep komt. Het onderwijs is erop gericht dat iedereen in ieder geval op tijd binnen is. In deze crisis is het nog moeilijker geworden om dat streven waar te maken. Leerlingen zijn door al dat ‘thuisonderwijs’ steeds meer aangewezen op hun ouders en dat is oneerlijk. Hoogopgeleide ouders rapporteren dat ze veel beter in staat zijn om hun leerlingen te helpen met schoolwerk, regelen gemakkelijker een goede laptop en een rustige kamer om op te werken. Mocht dat onvoldoende helpen, kopen ze dure bijlessen in. Je kan het de ouders niet kwalijk nemen maar het resultaat is duidelijk: het toch al groeiende gat tussen kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders wordt door deze crisis alleen maar groter.

Naar mijn mening alweer geen speld tussen te krijgen. Bemiddelde ouders kopen bijles, minder bemiddelde ouders nemen er soms een tweede baan voor en anderen kunnen het niet betalen. Dat die bijles nodig is, is naar mijn idee puur slecht. Maar heeft niets te maken met de coronacrisis. WEL met de onderwijscrisis. Te volle klassen, te weinig leraren en blijkbaar onvoldoende ‘goede’ instructie.

Veerkracht zonder vaardigheden

En dat curriculum dan, waarom zouden we daar zo krampachtig aan vast houden? Omdat dat curriculum zodanig is opgebouwd dat de leerlingen die het doorlopen goed voorbereid zijn op vervolgonderwijs en samenleving. Je zou het misschien niet verwachten maar er is over nagedacht, dat curriculum. „Ach”, posten de ‘pedagogen’, „leerlingen leren in deze crisis ook hele andere waardevolle dingen. Hun band plakken met vader, een taart bakken voor de buren, veerkrachtig zijn en jezelf vermaken in tijden dat er veel niet mag.” Hop, weer een paar honderd likes binnen, dat geeft die ‘pedagogen’ vast een goed gevoel. Toekomstige werkgevers zien die leerlingen ondertussen al aankomen: kunnen geen behoorlijke e-mail opstellen, vraag ze niet om iets uit te rekenen, geen idee hoe de wereld in elkaar zit, maar ze hebben volgens de pedagogen wel veerkracht. Ze hebben destijds zelfs nog een taart gebakken voor de buurvrouw.

Dit vind ik een onnodig denigrerend stuk, hoewel waarschijnlijk geschreven vanuit grote zorg om leerlingen. Er zijn mensen die zeggen: ‘Kinderen hebben zoveel andere dingen geleerd.’ Goed mogelijk. Maar om bij school te blijven: ze moeten goed leren lezen, rekenen en spellen. Voor later. Leuk dat je nu een ei kunt bakken, weten hoe je een scherm deelt in Teams, maar de basisvoorwaarden om deel te nemen aan onze samenleving moet je tóch nog leren. Overigens: om mee te draaien in een samenleving heb je ook andere vaardigheden nodig, dat je niet het idee hebt dat ik nu niet denk aan zaken als ‘op respectvolle wijze omgaan met elkaar, enz.’

‘Pedagogen’ die leerachterstanden bagatelliseren, Douwe vindt daar wat van: „zij doen mij denken aan miljonairs die zeggen dat geld er niet toe doet.” Ik weet niet of Douwe echt bestaat, of dat dit de gedachte van de onderwijswetenschapper is. Ik vind het wat kort door de bocht om iedereen die andere accenten legt in zijn onderwijsvisie meteen in de hoek van ‘jij hebt makkelijk praten’ gezet wordt. Die tegenstelling is volgens mij een valse.

Daan een vriend van mij zei: ‘Mensen die veel gestudeerd hebben, zonder tegenslagen zijn opgegroeid in een mooi huis en een evenwichtig gezin en die het welzijn van kinderen niet meenemen in hun kijk op de onderwijscrisis in de gedaante van de coronacrisis hebben makkelijk praten.’ 

Ik denk dat veel van de kinderen die besproken zijn in dit verhaal het vooral nodig hebben dat iemand hen ziet, tijd voor ze heeft, plezier met ze maakt, de situatie laat verwerken en dan keihard met ze aan de slag gaat om lekker lezen, rekenen en spelling te leren.

 

zaterdag 30 januari 2021

Als de scholen open gaan #sarcasmmode

 

Goed nieuws: ondanks de risico’s voor (met name oudere leerkrachten, leerkrachten met onderliggende kwalen of leerkrachten met kwetsbare familieleden) gaan de scholen weer open. Risico’s op slechte afloop zijn verwaarloosbaar. Hoeveel dode leerkrachten ken jij tenslotte? Dor hout moet nu eenmaal toch weg, dus opgeruimd staat netjes. Houd gewoon anderhalve meter afstand zeikerds.  Ik ben nu mijn praatje voor de opening aan het voorbereiden, geïnspireerd door onder andere een berichtje in  Trouw.

‘Jongens en meisjes, wat ben ik blij dat jullie weer op school zijn.’ Goed nieuws hoor, dat we elkaar weer zien. Jullie hebben goed je best gedaan in de periode dat we dicht waren. Ik moet jullie echter ook iets vertellen wat minder leuk is. Jullie lopen ontzettend achter door de coronacrisis en het zal jaren duren om dat in te halen.  Áls je het al in kan halen hé? Want het leven gaat ondertussen natuurlijk gewoon door.’

Ik weet zeker dat de bijdehandte Emma dan iets gaat vragen als:  ‘Meester, bij wie lopen we achter? De hele wereld zat toch in lockdown?’ Ik zie mezelf al stamelen:  ‘Ja, eh…Kijk dat zit zo: Grote mensen hebben normen bedacht waar je elk jaar aan moet voldoen. Elk jaar leer je meer. Maar nu je zo lang geen les hebt gehad, mis je heel veel. Dat moet je inhalen en dat duurt erg lang. Járen, zegt een groep knappe koppen van buiten het onderwijs.’ Emma zal zich niet snel laten overtuigen, met haar debatvaardigheden is ze ver vooruit. ‘Maar u zei net dat we heel erg goed gewerkt hadden toen we thuiszaten.’  En ik stamel gewoon door: ‘Ja, dat wel, eh, wel goed hoor. Ik wil jullie niet demotiveren, dat betekent alle zin in leren ontnemen. Maar het is niet genoeg begrijp je?’ En Emma zal volharden en niet willen begrijpen dat volgens een aantal deskundigen haar leven op school vrij zinloos lijkt. Een achterstand van jaren. Hoeveel jaar? 2? 8? Ze is pas 11. Dat is een berg die je niet kunt overzien. 

En ik hoor Luuk al. Luuk heeft toch nooit veel zin in school en leren. ‘Nou meester, dan doe ik maar meteen niks meer. Ik vond er toch al geen reet aan hier.’ En ik zal iets mompelen over zijn  taalgebruik, maar verder snap ik hem heel goed. Hij moest al alle zeilen bijzetten. Ik zou er ook de brui aan geven denk ik. 

En als ik er beter over nadenk (deden die deskundigen dat ook maar), bedenk ik me dat veel kinderen al achterliepen vanaf de start. Van velen weten we dat ze die achterstand niet goed maken. Daar leek niemand zich echt druk over te maken, behalve een handjevol leerkrachten. Beleidsmakers deden uiteraard wel alsof ze zich druk maakten: Ze maakten zich hard voor goed onderwijs zeiden ze, maar zo gauw het woord geld in het gesprek voorkwam haakten ze af.

Maar dit keer is het anders, kopt de krant. Er moeten extra handen in de klas komen. Daar hoor je trouwens wel vaker iets over, klik maar eens op deze link van Google. En de aanpak (welke dat ook wordt), moet gelden voor het hele onderwijs, want dat blijkt óók getroffen te zijn. En de bollenbozen willen ons nog op het hart drukken dat we over een jaar of acht ons nog steeds moeten realiseren dat dat kind voor je neus in 2019 en 2020 minder onderwijs heeft gehad. ‘Als corona dan allang weer weg is, moet een docent zich realiseren: oh ja, toen er corona was zat jij in groep acht en toen heb je veel minder les gehad.’ En dan? Dan gaat die docent proberen de leerstof goed uit te leggen? Dat deed hij ook al voor corona.

Ik vind dit een zwartgallig verhaal. Ja, kinderen die 6 hoog achter wonen, met een grote familie in een klein huis zonder goede wifi of überhaupt een laptop, zitten, zijn zwaar in het nadeel. Waarschijnlijk nog meer dan ‘vroeger.’  Maar laten we niet vergeten dat ze al heeeeel lang in het nadeel zijn. We moeten daar zeker goede lessen, geld en alle mogelijke hulp tegenaan gooien.

#sarcasmmodeoff

Stel dat we 'veilig' open kunnen. Dan zou het voor kinderen volgens mij beter werken als we zeggen: ‘Jongens en meisjes, wat fijn dat jullie er zijn!. Hoe is het met jullie? Hoe ging het thuis? Jullie hebben super je best gedaan tijdens de schoolsluiting. Het goede nieuws is, dat we nu met zijn allen keihard gaan werken. Hebben jullie dat ook zo gemist?’ En Emma zal ongetwijfeld in discussie willen: ‘Maar meester u zei toch vóór de schoolsluiting ook altijd dat we lekker keihard moesten werken?’ En Luuk zal diep zuchten. En ik zal naast hem gaan zitten een tik tegen zijn schouder geven en zeggen ‘Luuk jongen, ik heb jou en je gezucht echt gemist. Wat ben ik blij je te zien jongen.’ En Luuk zal nog een keer zuchten en keihard aan het werk gaan.

dinsdag 8 december 2020

Altijd Druk, Houd Dieet?

 

Verscheen eerder in Balans Magazine van Oudervereniging Balans.

‘Kijk’, zei de moeder van Sem, die na schooltijd voor mijn neus stond. ‘Ik heb hier twee artikelen over ADHD en voeding. Dat het werkt. Nou ja, en een dat het niet werkt.’ Ik keek naar de artikelen, die ik wel kende. In het ene artikel wordt de vloer aangeveegd met de claim dat voeding helpt om ADHD te laten verminderen. In het andere artikel wordt beweerd dat een aangepast dieet zorgt dat je ADHD als sneeuw voor de zon verdwijnt.

In het ene stond: Het is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd of er een verband is tussen voeding en ADHD. Daardoor kunnen er geen concrete voedingsadviezen worden gegeven om symptomen van ADHD te verminderen. Deze conclusie is gebaseerd op enkele onderzoeksactiviteiten die het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS in de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd op dit terrein.[1][AH1] 

In het andere stond: Bij 78% van de 50 kinderen  verminderden de verschijnselen van hun ADHD na een zogenaamd RED dieet (Pelser)[2]

Beide artikelen had ik gelezen en voor mij stond een moeder wiens kind behoorlijk ADHD heeft. ‘Ik heb gehoord dat voeding ADHD laat verdwijnen,’ zei ze. ‘Wat vindt u ervan?’ ‘Eerlijk gezegd heb ik geen idee. Ik ben gewoon leerkracht. En ja ik heb me verdiept in ADHD, maar vooral in de ‘schoolkant’ van het verhaal. Voeding hoort daar niet echt bij, bovendien vechten wetenschappers elkaar de tent uit over dit onderwerp. Ik herinner me een cartoon van een hele dikke jongen in een luie stoel. Hij zat aan een hamburger en volgens zijn moeder was hij veel minder actief sinds dit fastfood dieet.’

Er wordt wel gezegd dat door consequent met zo’n dieet bezig te zijn er ongemerkt structuur ontstaat in het gezin. Structuur die misschien daarvoor ontbrak. Maar wat als die structuur er altijd al was? Ben je wat je eet? Ik besloot me er niet aan te wagen aan iets waarin ik me niet uitputtend verdiept heb en het verhaal van beide partijen uit te leggen. Uitleggen, daar heb ik me wel in verdiept, dus dat lukt me wel. ‘Dus eigenlijk heb je geen idee?’ Zei de moeder na mijn verhaal een beetje teleurgesteld. ‘Nee,’ moest ik bekennen. ‘Zelf zou ik zeggen probeer het gewoon als u hoop heeft dat het helpt. Het ene kind is immers het andere niet? Stel je voor dat het werkt. Ik zou zeggen keep an open mind.’

Inmiddels zijn we een half jaartje verder. Sem stuitert nog even vrolijk rond als vroeger, maar hij eet wel een stuk gezonder.

 



[1] Voeding en ADHD Eindrapportage en aanbevelingen voor vervolgonderzoek RIVM briefrapport 350021003/2013 S.W. van den Berg | J.M.A. Boer | H. Verhagen

[2] Effects of a restricted elimination diet on the behaviour of children with attention-deficit hyperactivity disorder (INCA study): a randomised controlled trial Dr Lidy M Pelsser, Klaas Frankena, PhD, Jan Toorman, MD, Prof Huub F Savelkoul, PhD, Prof Anthony E Dubois, MD, Rob Rodrigues Pereira, MD, Ton A Haagen, MD, Nanda N Rommelse, PhD, Prof Jan K Buitelaar, MD. The Lancet Volume 377, No. 9764, p494–503, 5 February 2011

 


 [AH1]Ik weet niet of je de verwijzing erbij wilt?

zaterdag 14 november 2020

Waarom ik weer?

 

Jesse (11 jaar, ADHD, groep 7), heeft het lastig op school. Het gaat regelmatig mis als de leerkracht en hij elkaar weer niet goed begrijpen. Vandaag geeft de juf uitleg over breuken. Taaie en vooral ook saaie kost vindt Jesse, maar hij doet zijn best om niet af te dwalen met zijn gedachten. Hij wil eigenlijk graag goed leren.
Jesse luistert ingespannen naar de uitleg. Daarbij zit hij te spelen met zijn pen. Hij kijkt nauwelijks naar het bord. De juf heeft daar al twee keer wat van gezegd. De eerste keer vriendelijk en de tweede keer iets dwingender. Dat heeft geen effect: Jesse wriemelt nog steeds met zijn pen en kijkt nog steeds niet naar het bord.

De derde keer is de leerkracht het goed zat. "Jesse! Doe nu die pen weg en probeer eindelijk eens op te letten!!" "Ik luister heus wel!", roept Jesse terug. Hij voelt zichzelf boos worden over deze oneerlijke behandeling. Zit hij goed zijn best te doen, krijg je dit weer. ‘Je luistert helemaal niet. Je zit maar te spelen met die stomme pen!’ Jesse springt boos op, stampt naar de deur onder het uitroepen van ‘Je moet ook altijd mij hebben!’ en knalt de deur achter zich dicht. Boos loopt hij over de gang, kwaad dat het wéér niet gelukt is om het goed te doen.


Zijn verdrietige gedachten tollen door zijn hoofd: ‘Waarom overkomt mij dit telkens? Snapt de juf dan niet dat friemelen en niet naar het bord kijken ervoor zorgen dat hij júíst goed oplet? Waar staat dat je alleen kunt opletten als je doodstil zit? Dat de juf dat nou niet snapt dat hij moet bewegen.’
Nijdig geeft hij een schop tegen een tas die onder een kapstok staat. ‘Rotjuf’, denkt hij boos. Met weemoed denkt hij terug aan vorig jaar. Juf Simone begreep hem veel beter. Daar mocht hij friemelen en wiebelen en als het echt niet meer ging mocht hij zelfs vijf keer de trap op en neer rennen. Daarna kon hij er weer even tegen. Hij moet glimlachen als hij daaraan denkt. Hij heeft wel eens opgevangen dat andere leerkrachten vonden dat juf Simone niet handig bezig was. ‘Wie weet wat die jongen allemaal op de gang gaat uitspoken als jij hem laat gaan’, had de juf van groep 6 gezegd. De juf had alleen gezegd: ‘Dat doet Jesse niet. En stel dat hij iets zou doen dat niet goed is, dan praat ik daarover met hem. Zo simpel is het.’ Niet dat het ooit nodig geweest was, Jesse zou wel gek zijn. Hij vond het heerlijk dat de juf zoiets voor hem geregeld had. Misschien kon zijn juf eens met juf Simone gaan praten…

 

zaterdag 18 april 2020

‘Ondersteuning van kwetsbare kinderen tijdens coronacrisis.’

In dit artikel vind je de strekking van mijn verhaal voor de video van het Lerarencollectief (https://youtu.be/bvLgKfAvGOI) in tekstvorm (en wellicht iets uitgebreider).

Een opmerking vooraf: de werkdruk is immens groot. Veel collega’s willen alles en liefst nog méér doen, maar aan alles zit een grens. Ook als dat slecht uitkomt of heel triest is. Wat je hier leest is dus allerminst iets dat je moet doen. Het is wat je kunt doen. Ook leraren zijn gewone mensen. Doe wat je kunt en wilt. Besef dat je als leraar zéér belangrijk bent voor met name de kinderen die onveilig opgroeien.

Beste collega’s,
we moeten op dit moment de gezelligheid van onze klas missen. Veel kinderen missen die ook. Wat een aantal van onze kinderen zeker ook missen is veiligheid. Normaal gesproken is hun klas de veilige haven. Ze komen bij een juf of meester bij wie ze terecht kunnen; een juf of meester die voorspelbaar en duidelijk is. Een klas waar ze even hun zorgen om thuis (als die er zijn natuurlijk) kunnen vergeten. School is een plek waar je gezellig met zijn allen bezig bent aan leren. En dat kán ook; juist omdat school een veilige plek is.

We weten inmiddels uit onderzoek en bevindingen uit de praktijk het volgende.
Voor veel kinderen geldt dat ze:
-geen veilige thuissituatie hebben en dat die onveiligheid toeneemt met het langer duren van de coronacrisis.
-deels alleen thuis zijn, omdat hun ouders in ‘cruciale beroepen’ werken.
-geen eigen werkplek hebben en soms in de douche of zelf in een kast zitten om maar rustig te kunnen werken geen internet /geen of niet voldoende digitale hulpmiddelen hebben en dat dit echt niet alleen in ‘arme’ gezinnen zo is.

We weten dat ouders: 
-niet kunnen uitleggen zoals de juf/meester en dat dit tot ruzie en frustratie leidt. Zelfs bij leerkrachten die ook ouder zijn.
-niet altijd digitaal vaardig zijn en zeg eerlijk, kon jij al met Teams of google classroom werken? Velen van ons hebben dat pas geleerd in deze crisis.
-niet altijd een ‘georganiseerd’ huishouden hebben en het niet voor elkaar krijgen om hun kind om tien uur bij jouw online les te laten aansluiten
-soms moeite hebben om hun kind überhaupt aan het schoolwerk te krijgen.
-We weten dat het hebben van een ‘special needs’ kind, nog meer vraagt.
-En bovenop dit alles is er de zorg om de gezondheid. Gezondheid van naaste familie, van het gezin.
Voor kinderen met ouders in de cruciale beroepen, geldt dat nog meer. Het is voor veel kinderen een heel erg angstig idee dat mama of papa, die bijvoorbeeld die verpleegkundige is, nu de hele dag tussen zieke mensen loopt. De zorg hierom legt een schaduw over het lekker leren.
-Bovenop dit alles komen ook de financiële problemen die gezinnen soms hebben of zullen krijgen. Het verlies van banen, minder geld hebben voor het eten… Ook die stress in het gezin werpt een schaduw over het lekker leren.

Stress en brein: hoe stress het leren lastig of zelfs onmogelijk maakt.
Je brein heeft globaal gezien drie delen. Alsje veel stress ervaart, heeft dat invloed op je brein. Zo werkt je geheugen minder goed en verwerk je informatie minder goed of helemaal niet.

Een voorbeeld uit de praktijk van deze periode:
Ik moest boodschappen doen in de supermarkt. De supermarkt is op dit moment een onveilige plek. Anderhalve meter afstand houden is lastig, sommige mensen houden zich daar niet aan en mensen komen van alle kanten. Ik loop dus met behoorlijk wat stress boodschappen te doen. Wat ik merkte, was dat ik vooral gespitst was op bewegingen van andere mensen. Hoewel ik met het boodschappenlijstje in mijn hand rondliep, pakte ik verkeerde merken, en verkeerde producten. Ook moest ik soms drie keer naar hetzelfde schap om zaken te pakken die ik ook in één keer had kunnen pakken. Dat is wat stress met je doet. De informatie komt niet goed binnen, wordt niet goed geïntegreerd. Zie dan maar eens te gaan leren.

Samenvattend tot nu toe:
Oplopende stress bij kind en ouders, zorgen voor Leerbelemmeringen.

Wat kun je doen als leerkracht: Wat kun je doen om (beperkt) bij te dragen aan de veiligheid en de stressvermindering bij kinderen?

Tip 1a: Als je contact hebt met kinderen uit je klas, praat vooral ook over hoe het met ze gaat (en met hun ouders). Zowel één op één als ‘klassikaal.’ Gedeelde smart is echt halve smart. Het helpt kinderen enorm als ze weten dat zij niet de enigen zijn die zich zorgen maken of zich rot voelen. Idee: ‘Teken allemaal een smiley van hoe jij je voelt. Variant: hoe voelen je vader, moeder, broertje, zusje zich? Gebruik om het gesprek te voeren over hoe het gaat, bijvoorbeeld de vragenlijst van Kees van Overveld.
Tip1b: Wat je ook kunt doen, is deze lijst in aangepaste vorm naar kinderen sturen, zodat ze die zelf invullen. Ik vond hem op https://bit.ly/2JKmgeI Je kunt de lijst daar downloaden in printable form. https://bit.ly/2wj4OuH Compleetmet stappenplan hoe je de lijst kunt inzetten.

Tip 2: Spreek met kinderen af dat ze je altijd mogen appen, bellen, mailen of op welke manier je dan ook contact wilt. Maak die afspraken heel expliciet: vertel bijvoorbeeld datje niet altijd direct kunt reageren of dat kinderen na tien uur ’s avonds geen antwoord meer krijgen. Als je kinderen hebt om wie je echt veel zorgen hebt, bel/skype/app die dan het liefst elke dag. Besef dat je een ‘lifeline’ bent voor kinderen die ‘niemand anders hebben.’

Tip 3: Vertel je klas over de kindertelefoon. Veel kinderen kennen de kindertelefoon wel, maar weten er niet het fijne van. Als volwassene kom je op het idee het nummer op te zoeken, kinderen niet altijd. Leg uit dat je er ook anoniem kunt chatten. Bekijk samen het uitlegfilmpje van twee minuten. Bij de bronnen vind je meer informatie.

Tip 4: Veel kinderen (ook degenen die veilig opgroeien) zijn in deze tijd erg bezorgd. Dat blijkt onder andere uit de vele telefoontjes die de kindertelefoon krijgt over corona. Praat erover met je klas. Het is belangrijk dat kinderen hun zorgen samen kunnen bespreken. Zoals je in de tutorial van Kees kon horen, kun je strategieën om kalm worden bespreken. Als je online bent met je klas, doe dan regelmatig ‘iets leuks.’ (bijv. gymganzenbord). Zo blijf je werken aan je groep en verlicht je even ieders zorgen door het samen plezier hebben. Maak een klassenblog aan. Er zijn scholen waar kinderen en leerkrachten een blog of een vlog maken over hoe het gaat thuis. De leuke dingen en de minder leuke dingen. Dit delen ze met Spreek af dat kinderen die ‘nog meer willen praten’ je altijd kunnen appen, mailen, bellen, enz. Wijs op anderen die misschien beschikbaar zijn (buurvrouw, opa, enz.)

Tip 5: Praat met / luister naar ouders als je problemen vermoedt. Sommige ouders zal het water aan de lippen staan. Zaken als verlies van inkomen en werk, thuiswerken met het hele gezin om je heen en zorgen over zieke familieleden kunnen behoorlijk veel stress geven. Heb dus vooral begrip voor hun situatie. Geef eventueel voorzichtig praktische tips als je kunt en snap dat ‘school’ niet altijd op nummer één zal staan. Bij twijfel over de veiligheid van een kind is altijd overleg met directie/MT nodig over verder stappen. Denk daarbij aan ouders die je totaal niet kunt bereiken, terwijl je ook niets van het kind hoort of ziet. Bedenk dat kinderen niemand anders hebben als het thuis niet veilig is en dat jij echt van groot belang bent voor ze.

Welke kinderen lopen (meer) risico?
- Natuurlijk de kinderen waarvan je (als school) al weet dat ze een onveilige situatie hebben. Dat zijn er veel. Volgens Veilig thuis zijn dat er zeker 4000. Bij die kinderen is de situatie acuut of structureel onveilig (peiling februari 2020).
- Kinderen die thuis wonen met een kinderbeschermingsmaatregel. Deze kinderen hebben een zogenaamde Onder Toezicht Stelling (OTS). Ook dat zijn er veel: zo’n 20.000. Een gezinsvoogd begeleidt dan weliswaar het gezin, maar die voogd is er natuurlijk maar zo nu en dan. En ook de jeugdzorgwerkers leggen minder bezoeken af.
- Gezinnen waar al hulp is of waar risico’s al zijn gezien, maar waar VT nog niet in gekend is. Deze ouders hebben dan vaak hulp geaccepteerd, maar in deze crisis hebben bijna alle mensen een wat korter lontje en is het moeilijk om met de situatie om te gaan.
- Kinderen waarvan de ouders in een scheiding zijn verwikkeld. In een moeilijke tijd als deze kan zo’n zware situatie makkelijker escaleren. - Kinderen waarvan ouders een zwaardere opvoedtaak hebben. Denk aan kinderen met heftige gedragsproblemen, ernstig ADHD of autisme, enz. De opvoedtaak is dan extra zwaar. Als je het als ouder dan zelf ook zwaar hebt, wordt de belasting soms te groot.

Samenvatting: 
• Leren kun je alleen als je niet te veel stress hebt.
• Praat over hoe kinderen zich voelen, waar ze bang voor zijn, wat goed gaat (Schema Kees van Overveld)
• Praat met je klas over de kindertelefoon
• Praat ook één op één met kinderen.
• Bied kinderen die vaker willen praten/ongerust zijn de mogelijkheid (Vragenlijst Karen Young) • Doe met je hele groep een ‘leuke activiteit.’ (groepsvorming)
• Praat met ouders indien nodig
• Onderneem verder stappen als dat nodig is (Meldcode)
• Voor onveilig opgroeiende kinderen ben jij de ‘lifeline.’

Tot slot: Leraren geven onderwijs. Dat is ons vak. Toch moeten we op dit moment enigszins relativeren en begrijpen dat onderwijs moet, maar niet altijd mogelijk is. Ondanks ieders inspanningen. Dat is niemands schuld. Leraren werken zich drie slagen in de rondte, bijna alle kinderen zouden het liefst weer in de klas zitten en alle ouders proberen met kunst en vliegwerk hun gezin draaiend te houden. De omstandigheden zijn zoals ze zijn. Het belangrijkst is dat alle partijen blijven samenwerken.

Samen kunnen we veel. Ik weet ook: De mogelijkheden om daadwerkelijk te helpen zijn beperkter dan normaal. Dat besef knaagt bij mij en bij heel veel leerkrachten. Voorgaande ideeën kúnnen misschien een kleine bijdrage zijn om kinderen te helpen. Het allerbelangrijkste voor veel kinderen zal het idee zijn dat ze hun juf of meester er voor ze is. Dat ze gewoon mogen appen of bellen als het nodig is. Want dié steun doet er echt toe!

Bronnen:
Ajrovic, S. (2020). Feiten voor bij het Skypen. Kansenongelijkheid kan toenemen door thuisonderwijs. Volkskrant, 27 maart 2020. https://bit.ly/2yyqzHu Bouma, R. Gymganzenbord. Te downloaden via https://bit.ly/2xSwXsO
Dekker, M. (2020). Welke kinderen zijn thuis onveilig. Augeo magazine, 27 maart 2020.
Horeweg, A. (2018). De traumasensitieve school. Anders kijken naar gedragsproblemen in de klas. Leemans, L. (2020). Welbevinden in coronatijd: hoe voelen je leerlingen zich? Vragenlijst welbevinden: https://bit.ly/2wj4OuH
Oostveen, M. (2020). De Kindertelefoon hoort veel kinderen al vastlopen. Volkskrant, 24 maart 2020. https://bit.ly/2ULg0td
Horeweg, A. (2020). Kinderen in de knel tijdens coronacrisis. Wat kun jij als leerkracht doen?
van Overveld, K. (2020). Aandacht voor sociaal emotioneel leren op afstand. https://bit.ly/2Xfxek3 Van Put, A. (2020). Zorgen over niveauverschil thuislerende kinderen: 'Verschillen straks groot.’ NOS, 30 maart 2020. https://bit.ly/39NciDC
Young, K.(2020). Vragenlijst. ‘What to Say to Help Kids Feel Calm When the World Feels Fragile.’ https://bit.ly/2wY92Z7 Hey Sigmund. Where the Science of Psychology Meets the Art of Being Human.
Extra ondersteuning voor kwetsbare leerlingen: https://bit.ly/2UKumtS

Handige sites: 
www.kindertelefoon.nl (anoniem) bellen, chatten (kinderen, jongeren)
Uitleg kindertelefoon op You tube https://youtu.be/XPTjbIKNc1M
www.jouwggd.nl (anoniem) voor bellen, chatten, informatie (jongeren).
www.deluisterlijn.nl bellen, chatten,(ouders)
Vragenlijst. https://bit.ly/2xSxF9s
Voor ouders en leerkrachten: https://bit.ly/2x6A3JL

zaterdag 21 september 2019


Zo overleef je een moeilijke groep
Over het belang van groepsvorming. Kijk ook op het You Tube kanaal van gedragsproblemenindeklas.

Je hebt geen grip op de groep, het lesgeven lukt niet, en je zelfbeeld en nachtrust lijden eronder. Het is wat er gebeurt bij een ‘moeilijke groep.’ Iets waar iedere leerkracht mee te maken kan krijgen. En waar zelfs ervaren leraren op stuk kunnen lopen. Wat gebeurt er in zo’n klas, hoe krijg je de controle terug? ‘De klas is een spiegel. Als de klas vervelend is, zegt het ook iets over jou.’

Groepsvorming

“De vervelende klas bestaat niet”, stelt Anton Horeweg, leerkracht en gedragsspecialist (M SEN) met 35 jaar ervaring en een voorkeur voor 'lastige' leerlingen. "Als je denkt: ‘Wat een vervelende klas!’ Dan komt het niet goed. Want dan zeg je: wat er gebeurt, heeft niets met mij te maken.”
Hoe hij kijkt naar zo’n klas? “Over het algemeen geldt dat de kinderen niet gericht zijn op leren, maar op elkaar. Daarom doen ze niet wat je zegt. En dat is vervelend.”

Wie een vervelende klas wil voorkomen, zet in op groepsvorming, adviseert hij. Niet alleen in de eerste weken, maar ook daarna. 'Want een groep is in beweging. Altijd.'
Horeweg laat de kinderen kennismaken met hem, door te vertellen over zaken die niets met school te maken hebben. 'Zo leren kinderen je kennen als mens, in plaats van als leerkracht.' Hij laat de kinderen op dezelfde manier met elkaar kennismaken. 'Waarom? Heel simpel: als je iemand niet kent, vind je hem of haar ook niet leuk. Elkaars aardige kanten zien, ervaren dat je dezelfde dingen leuk vindt, dat schept een band die er later voor zorgt dat je elkaar wilt steunen.'
Ook praat hij met ze over hoe ze willen zijn: 'Wat voor klas willen wij dit jaar zijn? Ik begin dus met het einddoel voor ogen en ga dan bespreken hoe we dat voor elkaar krijgen. Alle kinderen willen deel uitmaken van een leuke klas! Bij iedere verstoring daarvan, is het van belang dat je stopt met de les en erover gaat praten. Hoe kwam het? Had iemand kunnen helpen? Het is belangrijk dat ze leren dat ze als groep verantwoording dragen voor elkaar. De kracht van de groep wordt absoluut onderschat. We zijn geneigd ons te richten op de 'raddraaiers,' maar we moeten ons richten op de meerderheid van kinderen die gewoon zijn best wil doen. Bij ruzie zeggen de wegkijkers vaak verongelijkt ‘maar ik deed niets!’ Ik zeg dan: ‘Ik wil dat je de volgende keer wél wat doet!’ Degene die boos is, kan niet meer nadenken, dus moeten wij dat voor hem doen.'
Met de klas stellen we regels op. Afspraken zo je wilt. Een regel of vijf volstaat. Bijvoorbeeld: we zijn aardig voor elkaar; we zijn rustig in de school; we zijn netjes met de materialen en de omgeving.
'Wanneer iemand met een gum gooit of dwars door een ander heen praat, wijs ze dan weer op de regels,Wijzen op de regels is een effectievere manier dan de overtreder zelf corrigeren. Op den duur corrigeren de kinderen elkaar”, zegt leerkracht Anton Horeweg.
'Stel jezelf twee lijnen voor waarbinnen iets stuitert', zegt Anton Horeweg. “Als je niets doet, stuitert het uiteindelijk buiten het lijntje. Je moet er dus kort op zitten. Even oogcontact kan voldoende zijn. Kinderen hebben soms niet door dat ze storen. Ga niet meteen uit van slechte intenties. Schep de voorwaarden om goed gedrag te vertonen.'

Meer lezen? Horeweg, A. (2015). Gedragsproblemen in de klas in het basisonderwijs. Houten: Lannoocampus.







woensdag 12 juni 2019

De echte #Dreamschool



Vandaag een cluster 4 school bezocht. Eerst door een groot ijzeren hek met slagboom. Hier kom je niet zomaar in of uit. Aan de rechterkant bevonden zich de gebouwen waar veel leerlingen van deze school wonen: in leefgroepen, omdat het thuis niet gaat. Eén gebouw voor de kinderen met een lvb en delinquent verleden en één gebouw voor andere leerlingen. De leerkracht die voor de groep staat die ik ga bezoeken, komt me ophalen bij de deur, samen met een meisje dat zo blijkt later, nog niet in de klas kan zitten. Het meisje geeft me keurig een hand en stelt zich voor.
Het valt me op dat elk personeelslid een mobiele telefoon heeft en een kaart waarmee je elke deur apart open moet doen. Tijdens mijn bezoek blijkt dat ze voortdurend checken of kinderen ook echt zijn waar ze moeten zijn en dat het team op de hoogte is van wat er op elk moment gebeurt. In de kleine klas die ik bezoek zitten ongeveer 14 leerlingen, van een jaar of 12 tot 16. Ik kom een stagiair bezoeken. De leerlingen zijn druk, mijn bezoek is van tevoren aangekondigd. ‘Als hij (dat ben ik dus) niet aardig is, juf, dan..! Haar leerlingen zullen de juf wel eens even laten zien dat bezoekers respect moeten hebben voor haar. 
Een aantal leerlingen roept ‘Dag meneer’ als ik binnenkom, één jongen komt me een hand geven. Wat me opvalt: een jongen met capuchon op, een met een zonnebril, een meisje met een koptelefoon op. Het lijkt op een scene uit zo’n Amerikaanse film over een school in een probleemwijk. Nadat nog een keer uitgelegd is wie ik ben, gaat de les van start. De leerlingen zijn druk, sommige praten met elkaar of zitten omgedraaid, andere roepen door de klas. Het lijkt alsof niemand echt oplet, maar dat blijkt schijn: ze weten uitstekend wat er gevraagd wordt. Een leerling die mag uitleggen wat evolutie is, doet dat. De rest luistert ineens aandachtig. Er komt geen flauw commentaar. De les gaat verder, na een korte bespreking van de evolutie van de telefoon (ze kijken hun ogen uit) en een filmpje uit 1998 waarin mensen uit leggen waarom ze geen mobiel nodig hebben (de klas ligt in een deuk en kijkt vol afgrijzen), mogen ze foto’s gaan maken zonder mobiel, maar met een ouderwetse camera (waarvan de foto’s later ontwikkeld moeten worden, maar dat weten ze nog niet). Tijdens het filmpje praat de leerkracht zachtjes met een meisje dat nog niet voor langere tijd in de klas kan zitten.  Het gaat erover of ze mee kan doen. Het lijkt er eerst op van niet, maar even later zit ze op te letten. Vandaag zal ze voor het eerst de hele les meemaken.
 De groepen gaan voor het eerst zelfstandig naar buiten (wel op het terrein van de school en de woongroepen). Spannend voor de leerkracht en een feest voor deze leerlingen, die genieten van het vertrouwen dat hun juf in hen heeft. Als de leerlingen op het terrein bezig zijn, maken we een rondje langs alle groepen. We komen toevallig een leerling tegen, die op weg is naar een groepje. ‘Gaat het M?’ vraagt de leerkracht. Het meisje, een grote meid van een jaar of 15 schat ik, leeft op. Haar ogen stralen en ze maakt duidelijk contact met de juf. Dit meisje is overduidelijk blij met een juf die haar ‘ziet.’
Het is prachtig om te zien hoe enthousiast deze leerlingen aan de opdracht werken. Als we weer naar binnen moeten, lokt een van de meisjes de eenden die op het terrein lopen, achter zich aan door brood te strooien. Als een grote moedereend loopt ze met de eenden achter zich aan naar binnen: met de eenden en al. Dat geeft natuurlijk behoorlijk wat roering bij de anderen. ‘Ze heeft iets met dieren’ zeggen andere leerlingen. Als ik de deur openhoud voor een leerling, komt er weer een keurig ‘Dank u wel meneer.’
Terug in de klas, moeten de leerlingen uitzoeken hoe het nu verder moet met die foto’s.  En hoe lastig het was om niet meteen te kunnen zien of ze gelukt zijn. Een meisje vraagt hoe ze nu geprint moeten worden. Ze komen er niet meteen uit, maar uiteindelijk vallen de woorden Hema en Kruitvat waar je ze kunt laten afdrukken. De juf belooft dat te doen. ‘Maar er moeten er wel 2, want wij waren samen!’ Ze zorgen best voor elkaar.
De les is klaar, de leerkracht vertelt dat ze met mij een gesprek heeft en dat meester M. komt. De klas wordt ineens veel drukker. Bij het meisje dat nog niet goed in de klas kan blijven ontstaat duidelijk paniek. ‘Waar gaat u heen, waar gaat u heen en wij dan?’ De leerkracht loopt naar haar terug en spreekt zachtjes af dat zij even bij mag komen in de aula, dat dat misschien beter is en dat het zo goed is dat ze de hele les erbij was. Als we de klas uitlopen, komt er weer een jongen naar me toe: 'Bedankt voor uw bezoek, meneer.' 'Jij bedankt voor de gezelligheid!'
Als wij in gesprek zijn, komt het meisje van net naar het kamertje: ‘Ik ga hem echt slaan hoor!’ zegt ze. Ze wil het niet, maar zonder de steun van de juf zou ze het wel doen. De leerkracht loopt mee, ze stelt haar op haar gemak en komt meteen met haar terug. ‘M. gaat ons een rondleiding geven’, zegt ze. ‘Dat kan ze echt heel goed.’ ‘Nee hoor, dat weet ik niet’,  zegt M. duidelijk verlegen. Maar ze doet het wel. En goed ook. Ze legt alles duidelijk en rustig uit, beantwoordt mijn vragen en is een supergids. ‘Dat doe je echt heel goed’ zeg ik tegen haar. ‘Dit kan je echt goed!’ Ze bedankt me, zichtbaar blij met het compliment en duidelijk verlegen onder die positieve aandacht. Tijdens haar rondleiding komen we bij de techniek werkplaats. Een jongen van een jaar of 12 komt een hand geven en legt uit wat ze daar allemaal maken. Ook hij is enthousiast en doet het echt leuk. Ook hij is zichtbaar blij met mijn bedankje.

Dit is #Dreamschool, maar dan echt. Zonder camera’s, zonder bekende Nederlanders uit de showbusiness of het zakenleven. Dit is Dreamschool zonder extra zak geld, maar met bevlogen leerkrachten. Met beschadigde kinderen, die vaak alleen maar negativiteit kennen in hun leven. Met kinderen die het geloof in zichzelf en anderen verloren hebben, maar die dat hier bij leerkrachten zoals deze, stukje bij beetje terugkrijgen. Bijna niemand die dit ziet, bijna niemand die dit weet, maar hier wordt veel goeds gedaan. Hier wordt weer vertrouwen in eigen kunnen gegeven aan ernstig beschadigde kinderen. Kinderen die, dat merk je aan alles, hunkeren naar positieve aandacht, ook al uit zich dat soms in negatief gedrag. En hier, hier krijgen ze dat.
Als ik in de stromende regen naar mijn auto loop, kom ik een groepje oudere leerlingen tegen. Allemaal hebben ze een paraplu. ‘Dag meneer’ ‘Hoi mannen!’ ‘Ik heb deze!’ Eén van de jongens wijst op zijn paraplu. ‘Veel handiger. Zal ik even met u meelopen naar uw auto?’ 
Ik weet ineens weer heel duidelijk waarom ik in het onderwijs werk.

donderdag 17 mei 2018

Kinderen in de knel interesseren ons geen knal



Schokt deze titel u? Ik hoop het. Waarschijnlijk (ik ben naïef) klopt hij ook niet. Toch merk ik telkens weer als er berichten, artikelen, filmpjes en dergelijke gedeeld worden op sociale media, die gaan over kindermishandeling, -misbruik en verwaarlozing, de belangstelling ervoor miniem is.

Het is ook een ongemakkelijk onderwerp, dat moge duidelijk zijn. Kinderen die, soms al op zeer jonge leeftijd, verwaarloosd, mishandeld en misbruikt worden. Je maag draait ervan om, je hart versnelt, je krijgt een nare smaak in je mond. Je automatische reactie is dan ook: je hoofd omdraaien en wegkijken. Dit kán niet, dit mág niet, dit is te erg. Klopt allemaal. Maar het bestaat!

Je hebt deze kinderen in je school en in je klas. Het komt voor. Overal. In schrikbarende aantallen. Onderzoek na onderzoek wijst dat uit. Wereldwijd. Dus ook in jouw Nederlandse klas. In mijn nieuwe boek kun je alle cijfers lezen en als je op de termen kindermishandeling, kindermisbruik, huiselijk geweld en seksueel misbruik googelt, kom je de cijfers ook meteen tegen. Weinig mensen doen dat. Ik snap dat wel; het drukt je met je neus op de schokkende feiten. Maar. Toch. Als onderwijs-professional (maar je kunt ook lezen ‘als mens’) mag je niet je ogen dichtdoen voor deze gruwelijke realiteit. Ik weet uit mijn inmiddels best lange ervaring (ik werk meer dan 34 jaar in het onderwijs), dat we het nauwelijks hebben over deze cijfers, de gevolgen, deze kinderen. Dat is geen verwijt, het is gewoon zoals het is.

Maar ik vind dat het moet veranderen. Deze kinderen hebben vaak niemand bij wie ze terecht kunnen. School, de klas, dat zou hun veilige haven moeten zijn. Met een havenmeester die weet wat ze meemaken. Die de gevolgen snapt. Die ze laat merken dat ze, ondanks hun gedrag (want dat kan gezien de omstandigheden in heden of verleden behoorlijk anders zijn dan jij zou willen) welkom zijn en gezien en gehoord worden.

Ik weet dat een stukje schrijven over dit onderwerp heel wat anders is dan uitvoering geven aan dit idee. Waar begin je? Hoe houd je het vol? Ik loop al over van het werk in mijn dagelijkse onderwijspraktijk. Het goede nieuws is denk ik dat de aanpak die voor deze kinderen goed is, goed is voor elk kind. Het is niet iets geheel nieuws. De traumasensitieve aanpak sluit aan bij veel wat leerkrachten en docenten al doen. Alleen, bij deze kinderen, die beschadigd zijn, is de aanpak lastiger vorm te geven en is het lastiger vol te houden. Ze vertrouwen geen volwassenen, daar kwam immers het door hen meegemaakte onheil vandaan? Ze lijken niet te zitten te wachten op een warme relatie met een volwassene. Ze houden afstand, trekken zich terug, reageren niet of ze reageren juist heel heftig en lijken het conflict te zoeken. Ga er maar aanstaan als leerkracht in een volle klas.
Toch denk ik dat het kan en vind ik dat het moet. Voor deze kinderen. Ze hebben vaak niemand anders.

In de schoolpraktijk betekent dit naar mijn idee dat je met je team moet praten over kindermishandeling, misbruik en verwaarlozing (en alle andere ingrijpende gebeurtenissen die kinderen meemaken en kunnen beschadigen). Wat weten jullie van vroegkinderlijk chronisch trauma? Weet je goed wat de invloed op leren en gedrag kan zijn? Weet je wat zou kunnen helpen? En als jullie dat weten, hoe geven jullie dit dan schoolbreed gestalte? Is er in de drukte van alle dag tijd om echt te praten met kinderen? Ook met kinderen die in eerste instantie daar niet of afwijzend op reageren? En als die tijd er niet blijkt te zijn, hoe ga je dit dan oplossen? Ik weet dat die tijd er vaak niet is, maar ik vind dat hoe langer hoe onverteerbaarder worden. De kern van ons vak is een pedagogische relatie aangaan met kinderen en we hebben vaak ‘geen tijd’ om echt in gesprek met ze te gaan.

Een van de redenen waarom ik dat steeds zotter vind, is de interviews die ik mocht houden met jongeren van de Augeo Jongeren Taskforce. Zonder uitzondering gaven zij namelijk aan dat de door hun meegemaakte ellende een stuk verdraagzamer was geweest, als er een leerkracht of docent had gevraagd hoe het (echt) met ze was. Ze gaven soms aan dat ze niets verteld zouden hebben van wat ze echt meemaakten thuis, maar zonder uitzondering gaven ze aan dat ‘het er zijn’ van een volwassene die liet merken er voor ze te zijn, geholpen zou hebben. De klas als veilige haven met een havenmeester die je echt ziet.

Een leerkracht of docent die je ziet, die door je (‘lastige’) gedrag heen ziet. Een leerkracht of docent die straf vermijdt. Die regels stelt (ieder kind heeft grenzen nodig), maar die probeert dat op niet repressieve wijze te doen. Die zich constant afvraagt of de sanctie ‘wraak’ is of toevallig makkelijk is uit te voeren (‘ga er maar uit, ik ben klaar met je.’) of onvermogen van zichzelf. Ik weet dat dit stukje over straf een heikel punt is. Ik merk dat ik zelf nog regelmatig trap in het geven van een sanctie die een van bovenstaande redenen heeft.
Maar het werkt niet! Misschien werkt het voor sommige kinderen, maar zeker niet voor de kinderen uit dit verhaal. Het helpt ze verder de afgrond in. Ze hebben geen volwassenen die ze kunnen vertrouwen, waar ze bij terecht kunnen en doordat ze op school straf krijgen (waarvan elke leerkracht weet dat dit de relatie kan beschadigen), is er daar ook niemand. Vergeet niet dat deze kinderen gevoeliger zijn op dit gebied. Ze vinden zichzelf vaak niets waard en betrekken de straf niet op hun gedrag, maar op hun persoon. Met een ondoordachte sanctie bevestig je hun wereldbeeld: ik ben niets, de wereld is gevaarlijk en volwassenen heb je niets aan.

Nooit meer straffen dan? Ik wou dat het kon. Maar grenzen zijn nodig. Je kunt nu eenmaal niet alles goed vinden. Maar een grens kun je vaak net iets anders bewaken dan met ‘ga er maar uit,’ of ‘Ik ben nu echt klaar met je.’ Een grens kun je bewaken met geschreeuw, maar ook met kalmte. Dat is (vind ik) moeilijk. Het lijkt vaak onbegonnen werk; effect laat (soms) lang op zich wachten. Traumasensitief lesgeven is vaak vooral letten op wat jij als leerkracht of docent doet. In je gedachten kan het soms lijken op een vrijbrief voor kinderen die verkeerd gedrag vertonen; dat is het niet. Het is een manier om ze te leren dat hun gedrag (in de klas) niet nodig is. Dat het er veilig is. Dat de leerkracht hen ziet en wil helpen het ‘goed’ te doen. En dat ze mogen zijn wie ze zijn. Waardevol als ieder ander. Wat het andere deel van hun wereld ze ook wijs heeft gemaakt.

Dit soort zaken moet je dus als traumasensitief schoolteam bespreken. In alle openheid. Een traumasensitieve school word je niet zomaar. Ook niet door het lezen van een boek erover. Maar als je als team wilt, kun je wel een traumasensitieve school worden. In de VS, Australië en Canada bestaan er al vele. Al jaren. In ons land begint dit concept langzaam vorm te krijgen. In Heerlen is er al een traumasensitieve school. Misschien zijn er al meer. Of komen er meer. Kan toch? Ik werk er graag aan mee.

Anton Horeweg,
Leerkracht, gedragsspecialist (M SEN)
Auteur van De traumasensitieve school. Anders kijken naar gedragsproblemen in de klas.(2018).